<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:7396</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-15T15:29:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.3599</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:7396">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:7396</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-15T15:25:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:7396 Rechtbank Den Haag , 09-07-2021 / NL21.3599</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:7396:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Duitsland, refoulement.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:7396:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.3599</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>v-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.<footnote-ref linkend="_f8a4dd8c-24fc-41f5-a897-48e9e7ecda9b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum eiser] en de Ethiopische nationaliteit te bezitten. Op 16 januari 2021 heeft hij een asielaanvraag ingediend. </para>
    <para />
    <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt allereerst dat de door hem ingediende zienswijze van 23 maart 2021 als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Hij voert vervolgens aan dat hij bij overdracht aan Duitsland gedwongen zal worden uitgezet naar Ethiopië als gevolg waarvan hij een (indirect) risico loopt op schending van het beginsel van non-refoulement. Verweerder heeft een eigen verantwoordelijkheid om dit te beoordelen. Eiser wijst ter onderbouwing op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 november 2020<footnote-ref linkend="_1bbca4ce-7411-44b9-aa05-3f9ce4d3cb3a" /> waarin de Afdeling oordeelt dat een verschil in bescherming tegen refoulement tussen lidstaten kan leiden tot een (structurele of fundamentele) tekortkoming waardoor niet uitgegaan kan worden van het beginsel van onderling vertrouwen. Eiser verwijst verder  naar een document<footnote-ref linkend="_bb527f58-7ccb-43b1-9f42-80a246695338" /> waaruit blijkt dat Duitsland in 2020 79 personen heeft uitgezet naar Ethiopië. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Het algemene verzoek van eiser om de door hem ingediende zienswijze van 23 maart 2021 als herhaald en ingelast te beschouwen, zonder daarbij aan te geven in hoeverre verweerders reactie daarop in het bestreden besluit tekortschiet, kan niet worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit. Voor zover dit verzoek als een beroepsgrond moet worden beschouwd slaagt deze dan ook niet.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder mag ten opzichte van Duitsland in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier niet in geslaagd. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat Duitsland zich niet houdt aan de Europese richtlijnen en de mensenrechtenverdragen. Ook uit eisers relaas kan dat niet worden afgeleid. Het feit dat eisers eerdere asielaanvraag in Duitsland is afgewezen, is daarvoor geen indicatie. De Duitse autoriteiten hebben met de aanvaarding van het terugnameverzoek (het claimakkoord) gegarandeerd dat een nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen. Er bestaat op voorhand geen aanleiding om te veronderstellen dat Duitsland zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen. Mochten zich onverhoopt toch problemen voordoen na terugkeer in Duitsland, dan dient eiser zich daarover te beklagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Eiser heeft niet met objectieve informatie aannemelijk gemaakt dat hij hiertoe in Duitsland geen mogelijkheid heeft, noch dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.<?linebreak?></para>
    <para>6. Uit het voorgaande vloeit voort dat eisers vrees voor refoulement niet wordt gevolgd. De rechtbank voegt daaraan toe dat de garantie van de lidstaat om het asielverzoek in behandeling te nemen ook omvat de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd met het verbod van refoulement zal zijn. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020 leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aangetoond dat er sprake is van een verschil tussen het beleid van Nederland en dat van Duitsland ten aanzien van asielzoekers uit Ethiopië. Het door eiser overgelegde document onderbouwt dit ook niet. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>
      <?linebreak?>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
  <footnote id="_f8a4dd8c-24fc-41f5-a897-48e9e7ecda9b" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1bbca4ce-7411-44b9-aa05-3f9ce4d3cb3a" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2020:2592</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb527f58-7ccb-43b1-9f42-80a246695338" label="3">
    <para> http://dip21.bundestag.de/dip21/btd/19/182/1918201</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>