<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:7166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-02T09:00:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 1134</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:7166">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:7166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-31T11:15:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:7166 Rechtbank Den Haag , 23-06-2021 / AWB - 21 _ 1134</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:7166:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Urgentieverklaring. Beroep en vovo ingetrokken, omdat alsnog urgentieverklaring verleend. Verweerder veroordeeld in vergoeden griffierecht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:7166:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN Haag</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: SGR 21/1134 (verzoek) en SGR 21/1135 (beroep)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Verzoekster heeft een voorrangsverklaring aangevraagd, omdat zij een progressieve oogaandoening heeft en op korte termijn blind zal worden. Daarbij is zij zwanger. Zij woont, samen met haar echtgenoot, op de derde verdieping in een portiekwoning, zonder lift. Traplopen is voor haar, door haar slechte zicht, moeizaam en met een baby zal dit praktisch onmogelijk voor haar worden. Verweerder heeft haar aanvraag afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de bovenliggende voorwaarden: verzoekster heeft niet drie maanden voorafgaand aan de aanvraag zelf aantoonbaar en actief gereageerd op het woningaanbod op Woonnet-Haaglanden en zij kan het woonprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen. In beroep heeft verzoekster medische stukken overgelegd en stukken ter onderbouwing van haar standpunt dat zij al enige tijd ook op zoek is naar een woning op de particuliere markt.</para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 22 maart 2021 heeft verweerder alsnog aan verzoekster een voorrangsverklaring verleend. Daarop heeft verzoekster haar beroep en haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen tot het vergoeden van het griffierecht.</para>
    <para />
    <para>3. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om vergoeding van het griffierecht.<footnote-ref linkend="_2a1c2848-feb9-4d25-bd1e-055d67c0f841" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de voorzieningenrechter.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster pas bij haar beroeps- en verzoekschrift nieuwe stukken heeft ingediend en dat als gevolg van die stukken is besloten de aanvraag alsnog inhoudelijk te beoordelen. In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat hij aanvankelijk geen aanleiding heeft gezien de hardheidsclausule toe te passen, waarbij in overweging is genomen “dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat zij ook op de particuliere markt naar woonruimte heeft gezocht en pas sinds 9 september 2020 op het woningaanbod van woonnet-haaglanden had gereageerd en dat er geen medisch stuk was overgelegd, waaruit blijkt dat verzoekster in de toekomst blind wordt en sprake is van een uitzichtloze situatie.” Naar aanleiding van de door verzoekster overgelegde stukken, heeft verweerder de aanvraag toch voorgelegd aan een GGD-arts, waarna de voorrangsverklaring is verleend. Verzoekster heeft er evenwel terecht op gewezen dat de medische situatie reeds bij de aanvraag bekend was en dat zij zowel bij de aanvraag als bij haar bezwaar dezelfde medische stukken heeft overgelegd als in beroep. Dit betreffen dan ook geen nieuwe stukken. Aangezien verweerder op grond van de hardheidsclausule de bovenliggende voorwaarden heeft gepasseerd en alsnog de aanvraag inhoudelijk voor advies aan een GGD-arts heeft voorgelegd, valt niet in te zien waarom verweerder dit niet eerder in de besluitvormingsfase heeft kunnen doen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verweerder alsnog aan het beroepschrift van verzoekster tegemoet is gekomen en zal verweerder daarom veroordelen tot het vergoeden van het door verzoekster betaalde griffierecht van € 362,- voor zowel de beroepsprocedure als voor het verzoek om een voorlopige voorziening.<footnote-ref linkend="_1b380f2d-2a42-4173-b6d8-21cc90c0ee3d" /></para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter van de rechtbank draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 362,- aan verzoekster te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
  </section>
  <footnote id="_2a1c2848-feb9-4d25-bd1e-055d67c0f841" label="1">
    <para>Op grond van artikel 8:86, gelezen in samenhang met artikel 8:41, zevende lid, artikel 8:82, vijfde lid en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b380f2d-2a42-4173-b6d8-21cc90c0ee3d" label="2">
    <para> Op grond van artikel 8:41, zevende lid, en artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>