<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:6630</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-29T11:28:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL20.14574 en NL20.14575</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6630">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6630</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-29T11:27:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:6630 Rechtbank Den Haag , 23-06-2021 / NL20.14574 en NL20.14575</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:6630:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep niet tijdig, 21-maanden termijn</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:6630:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL20.14574 en NL20.14575<?linebreak?>V-nummers: [3 nummers]</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam 1], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [Naam 2]
        </emphasis>, eiseres</para>
      <para>mede namens<emphasis role="bold"> [Naam 3] </emphasis><?linebreak?>gezamenlijk te noemen eisers <?linebreak?>(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">en</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. T. Hogervorst).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 juli 2020 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eisers hebben op 12 juli 2019 asielaanvragen ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 12 januari 2020 een beslissing had moeten nemen. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 6 augustus 2020 betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, waarbij hij stelt dat hij vanwege de grote achterstanden bij de IND en vanwege de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus niet in staat is om te beslissen. De rechtbank volgt dit niet. Aangenomen wordt dat verweerder alleen van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020 vanwege overmacht niet in staat was om asielgehoren af te nemen en daardoor niet op de daardoor geraakte asielaanvragen kon beslissen<footnote-ref linkend="_2a600b44-6f7b-4e00-8479-25250538bde0" />. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een beslissing op de aanvragen is genomen. Eisers hebben verweerder op 24 juni 2020 rechtsgeldig in gebreke gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Hierna zijn twee weken verstreken voordat eisers beroep hebben ingesteld. De beroepen zijn daarom kennelijk gegrond.  </para>
    <para />
    <para>4. Op grond van artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb verbeurt verweerder een dwangsom voor elke dag dat hij in gebreke is, met een maximum van 42 dagen en </para>
    <para>€ 1.442. De hiervoor genoemde overmacht aan de zijde van verweerder schortte deze wettelijke dwangsomverplichting zelfstandig op<footnote-ref linkend="_872badab-7e64-4f25-8f40-daf38ef84552" />. Dit laat in dit geval onverlet dat verweerder voordien aan eisers een bestuurlijke dwangsom heeft verbeurd voor het maximale aantal dagen. Verweerder zal dan ook worden opgedragen om binnen zes weken over te gaan tot betaling van de maximum dwangsom. </para>
    <para>5. <?linebreak?>Verweerder heeft in het verweerschrift met een beroep op de capaciteitsproblemen bij de IND verzocht om een nadere beslistermijn van zestien weken.<?linebreak?>Gezien de achterstanden in het verwerken van asielaanvragen bij verweerder is naar het oordeel van de rechtbank sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Er moet echter ook rekening worden gehouden met de uiterste termijn die op grond van artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn<footnote-ref linkend="_d32b3e00-a974-4372-86ed-8c27df3a5ba6" /> wordt gesteld aan het nemen van een beslissing op een asielaanvraag. Op grond van deze bepaling moet een asielprocedure binnen 21 maanden zijn afgerond. In dit geval zijn de aanvragen ingediend op 12 juli 2019, wat betekent dat die termijn inmiddels is verstreken. Gelet hierop en met het oog op de door verweerder in acht te nemen zorgvuldigheid bij het beslissen op de aanvragen, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een beslissing op de aanvragen moet nemen<footnote-ref linkend="_2e611a80-0048-4a7d-852a-3bb3cbb6cc5d" />.<?linebreak?></para>
    <para>7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, overeenkomstig met het landelijke beleid, dat verweerder een dwangsom verbeurt van <?linebreak?>€ 100 per dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven, met een maximum van € 7.500. Aangezien het hier gaat om aanvragen van echtgenoten die samen Nederland zijn ingereisd en hun aanvragen gelijktijdig hebben ingediend, is sprake van samenhang. Om die reden zal er slechts één dwangsom worden opgelegd.<footnote-ref linkend="_2ccbfe97-272f-4926-8256-a842a68cfa6f" />.  </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 267 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor van 0,5). Ook hier is sprake van samenhang.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart de beroepen gegrond;</para>
      <para> vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      <para> draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden aan eisers een dwangsom met het bedrag van € 1.442 (veertienhonderdtweeënveertig euro) te betalen<emphasis role="italic">;</emphasis></para>
      <para> bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit op de aanvragen van eisers bekendmaakt;</para>
      <para> bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);</para>
      <para> veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers van € 267 (tweehonderdzevenenzestig euro).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2a600b44-6f7b-4e00-8479-25250538bde0" label="1">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2949</para>
  </footnote>
  <footnote id="_872badab-7e64-4f25-8f40-daf38ef84552" label="2">
    <para> AbRS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2949</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d32b3e00-a974-4372-86ed-8c27df3a5ba6" label="3">
    <para> Richtlijn 2013/32/EU</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e611a80-0048-4a7d-852a-3bb3cbb6cc5d" label="4">
    <para> AbRS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2ccbfe97-272f-4926-8256-a842a68cfa6f" label="5">
    <para> AbRS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>