<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:6232</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-29T13:17:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 20/3465</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6232">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:6232</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-29T13:17:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:6232 Rechtbank Den Haag , 03-06-2021 / SGR 20/3465</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:6232:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking bijstand na opschorting. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:6232:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 20/3465</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser,(gemachtigde: mr. C.J. van der Have),</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: P. Bos).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiser op algemene bijstand en periodieke bijzondere bijstand (voor de beloning van een bewindvoerder) ingevolge de Participatiewet (Pw) ingetrokken met ingang van de datum waarop het recht op uitkering was opgeschort, zijnde 30 september 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft de gedingstukken toegezonden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser ontving een uitkering ingevolge de Pw van verweerder. Het gaat om algemene bijstand en om periodieke bijzondere bijstand voor de betaling van een bewindvoerder. Per brieven van 12 september 2019, 19 september 2019 en 23 september 2019 is eiser uitgenodigd voor een gesprek in verband met een onderzoek naar het recht op, en de hoogte van de hem verstrekte uitkering. Daarbij is hem gevraagd alle bankafschriften mee te nemen. Eiser heeft aan deze uitnodigingen geen gevolg gegeven en is niet verschenen. Daarom heeft verweerder vervolgens bij besluit van 30 september 2019 het recht op uitkering opgeschort met ingang van diezelfde datum. Daarbij is eiser opnieuw uitgenodigd voor een gesprek, op 7 oktober 2019, teneinde alsnog de noodzakelijke inlichtingen te verschaffen. Ook aan die uitnodiging heeft eiser geen gevolg gegeven. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Dat besluit is na bezwaar gehandhaafd, conform het advies van de bezwaarschriftencommissie die beide partijen heeft gehoord.  </para>
    <para />
    <para>2. Eiser voert in beroep aan dat hij heeft verzocht om de door verweerder gewenste afspraak voor een gesprek bij hem thuis te plannen, zodat ook zijn ambulant begeleider erbij zou kunnen zijn. Uiteindelijk is een telefonische afspraak gepland, maar volgens eiser is verweerder die afspraak niet nagekomen. Daarna heeft verweerder de uitkering opgeschort en hem nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op het gemeentehuis. Volgens eiser blijkt nergens uit dat de uitkering diende te worden beëindigd en kan hem niet worden verweten dat hij zijn medewerkingsplicht heeft geschonden. Daarbij wijst eiser op het feit dat hij met ingang van november 2019 weer een uitkering ontving.  </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Eiser heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand (bij besluit van <?linebreak?>30 september 2019) geen bezwaar gemaakt, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 30 september 2019 op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw, in rechte stand kan houden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Bij de beantwoording van de vraag of het college na opschorting bevoegd is tot intrekking van bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw, staat uitsluitend ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene van dat verzuim een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. Dit is vaste rechtspraak. Zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:4238 en ECLI:NL:CRVB:2018:635).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Vast staat dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan de mogelijkheid die hem bij het besluit van 30 september 2019 is geboden om het verzuim te herstellen. Hij is immers niet verschenen op 7 oktober 2019. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Niet is gebleken dat eiser redelijkerwijs niet in staat zou zijn om – al dan niet met behulp van zijn begeleider - op het gesprek met verweerder te verschijnen. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij meermalen aan verweerder heeft gevraagd of het gewenste gesprek bij hem thuis zou kunnen plaatsvinden, maar hiervan is in de stukken geen bevestiging te vinden. Daarbij komt dat het aan verweerder – en niet aan eiser –  is om te bepalen wanneer en op welke wijze informatie moet worden verstrekt. Overigens heeft een consulent van de gemeente op 19 september 2019 een keer aangeboden om het gesprek bij eiser thuis te laten plaatsvinden, maar dat ging toen niet door omdat eiser niet thuis was en in Dronten verbleef. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De rechtbank acht van de kant van verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de van eiser verlangde gegevens (onder meer bankafschriften) van belang waren voor de beoordeling van het recht op bijstand. Verder acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 7 oktober 2019, te verstrekken. </para>
      <para />
      <para>5. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw het recht op bijstand van eiser in te trekken met ingang van de eerste dag waarop het recht op uitkering was opgeschort, te weten 30 september 2019. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken. </para>
      <para />
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>