<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:5860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-09T09:20:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/8839 en AWB 20/8842</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:5860">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:5860</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-09T09:20:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:5860 Rechtbank Den Haag , 08-06-2021 / AWB 20/8839 en AWB 20/8842</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:5860:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij besluit van 12 maart 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiseres (Surinaamse nationaliteit) tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen omdat eiseres niet zou voldoen aan de criteria die zijn neergelegd in het arrest Chavez-Vilchez van het Hof. Tevens heeft verweerder op 12 maart 2020 een zwaar inreisverbod opgelegd (10 jaar). Verweerder stelt dat niet is gebleken is dat eiseres daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor haar zoon en dat geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat haar zoon gedwongen zou worden het grondgebied van de EU te verlaten, indien eiseres het gevraagde verblijfsrecht geweigerd zou worden. Eiseres zit sinds januari 2019 in de gevangenis en is veroordeeld tot een celstraf van 36 maanden. De daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken liggen sindsdien bij de stichting NIDOS. De rechtbank is van oordeel dat verweerder actief en zo nodig door middel van inschakeling van een deskundige gehouden was onderzoek te verrichten na de informatie die eiseres heeft aangeleverd waaruit blijkt dat er bij eiseres meer dan marginale betrokkenheid is bij de opvoeding van haar zoon. De rechtbank oordeelt voorts dat verweerder gehouden is de belangen van het kind voorop te stellen (artikel 3 IVRK). De rechtbank overweegt in dit kader dat verweerder niet heeft onderzocht of de zoon van eiseres terecht zou kunnen bij zijn erkende (niet-biologische) vader. Dit had zeker op de weg van verweerder gelegen nu deze vader niet meer in beeld is. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder bij het opleggen van het inreisverbod had moeten beoordelen of eiseres een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare vormt, waarbij tevens de belangen en grondrechten van de zoon moeten zijn betrokken. Het beroep tegen de afwijzing van het vaststellen van het verblijfsrecht en het beroep gericht tegen het inreisverbod zijn gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:5860:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Den Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 20/8839 en AWB 20/8842</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster], verzoekster, en haar minderjarige zoon [zoon] (als referent)</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 maart 2020 (verder: de afwijzing) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij separaat besluit, geslagen op 12 maart 2020 en uitgereikt aan eisers op 16 april 2020, heeft verweerder aan verzoekster een terugkeerbesluit en inreisverbod (verder: het inreisverbod) opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft op 8 april 2020 een bezwaarschrift ingediend tegen zowel de afwijzing als het inreisverbod. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen beide besluiten ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft (mede namens referent) tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 20/8838 en 20/8840) en verzocht om de onderhavige voorlopige voorziening(en). Verzoekster heeft op 29 december 2020 beroepsgronden ingediend. Bij brieven van 2 april 2021 en 20 april 2021 heeft zij nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting is, tezamen met de behandeling van het beroep in de hoofdzaken en het beroep en de voorlopige voorziening inzake de afwijzing van de asielaanvraag van verzoekster (zaaknummer NL21.1 en NL21.2) aangevangen op 4 mei 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is als informant voor verzoekster verschenen dhr. W.F.T.M. Van der Sangen, gezinsvoogd van de Stichting NIDOS (verder: het NIDOS). Na aanhouding is het onderzoek per 17 mei 2021 met toestemming van partijen zonder nader onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. In artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, is bepaald dat indien tegen een besluit beroep bij de bestuursrechter is ingesteld de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    <para />
    <para>2. Verzoekster is bij vonnis van 23 april 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden die zij op dit moment uitzit. Indien de voorlopige voorziening zou worden toegewezen zou verzoekster in detentie aanspraak kunnen maken op diverse privileges waarvoor zij momenteel niet in aanmerking kan komen.</para>
    <para />
    <para>3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster, gelet op de belangen die zij heeft gesteld, een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar verzoek. </para>
    <para>4. Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat bij uitspraak van vandaag, zaaknummers: AWB 20/8838 en AWB 20/8840 de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep van verzoekster, en daarbij het beroep gegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat verweerder nader onderzoek moet doen en vervolgens een nieuw besluit dient te nemen. </para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter ziet zich aldus voor de vraag gesteld of een voorlopige voorziening getroffen moet worden, inhoudende dat verzoekster, hangende de periode waarin verweerder onderzoek doet en een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift, dient te worden behandeld alsof zij een (declaratoir) EU-verblijfsrecht heeft in Nederland. Omdat de voorzieningenrechter niet vooruit kan lopen op het nadere onderzoek dat verweerder nog zal moeten uitvoeren, zal de voorzieningenrechter zich bij de beantwoording van die vraag beperken tot een belangenafweging.</para>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze belangenafweging in het onderhavige geval in het voordeel van verzoekster dient uit te vallen. De voorzieningengerechter overweegt hiertoe dat verzoeksters momenteel in detentie zit. Indien zij inderdaad het verblijfsrecht heeft dat zij claimt te hebben, komt zij in detentie voor diverse privileges in aanmerking waarvoor zij anders niet in aanmerking komt. Dit betekent dat, als verweerder bij het bestreden besluit meteen had voldaan aan de vereisten van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, verzoekster mogelijk al gebruik had kunnen maken van de gestelde haar toekomende privileges. Onder die omstandigheden acht de voorzieningenrechter het belang van verzoekster zwaarder wegen dan het belang van verweerder, te meer nu deze privileges ook weer gemakkelijk ingetrokken kunnen worden, indien blijkt dat zij toch géén EU-verblijfsrecht heeft. </para>
    <para />
    <para>7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe. Dit betekent dat verzoeksters dient te worden behandeld als had zij een EU-verblijfsrecht in Nederland, totdat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen. </para>
    <para />
    <para>8. De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534, en wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier is verhinderd te ondertekenen	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: 8 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>