<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:5531</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-01T14:20:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/1274</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:5531">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:5531</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-01T14:16:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:5531 Rechtbank Den Haag , 19-05-2021 / AWB 20/1274</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:5531:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag verblijfsvergunning regulier 'humanitair tijdelijk', aangifte mensenhandel Model M55, Dublin, beklagprocedure geeft geen recht op verblijf</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:5531:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AWB 20/1274</para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. E.S. van Aken,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 17 februari 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2020 (het bestreden besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 april 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 juni 2019 heeft eiser asiel aangevraagd. Die aanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_91ca6b2c-e751-45f3-a7aa-a5487ebcaa73" /> Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dat besluit is – na beroep bij deze rechtbank<footnote-ref linkend="_0221bc82-dff7-4a22-be17-04f80c212898" /> en hoger beroep bij de Afdeling<footnote-ref linkend="_91847488-e0c1-4d3a-814c-43c0dc8e7ab5" /> – onherroepelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft op 12 november 2019 aangifte gedaan van mensenhandel. De politie heeft verweerder op 14 november 2019 middels een kennisgeving (Model M55) in kennis gesteld van de aangifte. Verweerder heeft deze in behandeling genomen als aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 november 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden. Verweerder heeft daartoe overwogen dat hij bericht<footnote-ref linkend="_046683da-2725-4b41-b74d-81deba394c56" /> heeft ontvangen van het OM<footnote-ref linkend="_360e5fdb-6f68-4af9-9c17-ab70d391059f" /> waarin is vermeld dat de aanwezigheid van eiser in Nederland niet noodzakelijk is. Verweerder heeft verder overwogen dat er ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden om af te wijken van zijn beleidsregels. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat al vlak na de ingediende asielaanvraag kenbaar was dat hij aangifte wilde doen van mensenhandel. Hij stelt in dat verband dat uit het relaas aanstonds blijkt dat hij als minderjarige asielzoeker in Italië slachtoffer is geworden van mensenhandel en seksuele uitbuiting. Hij merkt daarbij op dat hij pas in een zeer laat stadium is gehoord en dat dat tijdsverloop hem niet kan worden verweten. Eiser stelt zich op het standpunt dat het enkel doen van aangifte vanwege slachtofferschap van mensenhandel voldoende had moeten zijn om hem in afwachting van verdere beoordeling van deze aangifte toe te staan om hier te lande te verblijven en hem een tijdelijk verblijfsrecht te verlenen. Het feit dat er later een sepotbeslissing is gevolgd, betekent volgens eiser nog niet dat er een onherroepelijk einde is gekomen aan de strafrechtelijke vervolging/beoordeling. In dat verband heeft eiser opgemerkt dat hij zijn beklag heeft gedaan bij het Gerechtshof vanwege het niet verder strafrechtelijk vervolgen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot slot heeft eiser opgemerkt dat hij in Nederland een privéleven opbouwt. Hij meent dan ook dat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM<footnote-ref linkend="_853baca8-2500-42a0-8a95-2638ceb5ec68" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 16 van de Vw<footnote-ref linkend="_0033fc29-ed9d-4535-9aac-77fc618cc463" /> in samenhang met artikel 3.48 van het Vb<footnote-ref linkend="_71e465dc-6c03-4314-8837-612458be23ca" /> en paragraaf B8/3 van de Vc<footnote-ref linkend="_7165154e-4eec-4f64-930d-d57143176111" />.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In paragraaf B8/3 van de Vc is – voor zover van belang – het volgende bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De IND verleent aan een vreemdeling op wie de Dublinverordening van toepassing is op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, c of g, van het Vb louter een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als slachtoffer van mensenhandel dan wel als getuige-aangever nadat het OM heeft bericht dat de aanwezigheid van de vreemdeling noodzakelijk wordt geacht in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank constateert dat verweerder het juiste toetsingskader heeft gehanteerd. Voor de datum van indiening van de aanvraag is verweerder terecht uitgegaan van de kennisgeving van de aangifte door de politie op 14 november 2019.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’. De verblijfsvergunning die naar aanleiding van een aangifte mensenhandel wordt verleend, voorziet in de mogelijkheid om mee te werken aan strafvervolging. Uit de beslissing van het OM van 22 november 2019 blijkt dat er geen strafrechtelijke vervolging is ingesteld omdat Nederland geen rechtsmacht heeft voor de feiten waarvan eiser aangifte heeft gedaan. Gelet daarop voldoet eiser niet aan de voorwaarde zoals gesteld in artikel 3.48, eerste lid, sub a, van het Vb in combinatie met paragraaf B8/3 van de Vc.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder vanwege de lopende beklagprocedure hem ten minste een tijdelijk verblijfsrecht had moeten verlenen. Verweerder heeft in zijn verweerschrift terecht opgemerkt dat een beklagprocedure op zich geen recht op verblijf geeft en dat het recht op een verblijfsvergunning op grond van paragraaf B8/3 van de Vc pas herleeft nadat het beklag gegrond is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft beoordeeld of er in het geval van eiser op grond van artikel 4:84 van de Awb<footnote-ref linkend="_d086b3aa-41db-464b-8ba5-a8576d79d3a9" /> aanleiding is om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van zijn beleid en om zijn aanvraag toch in te willigen. Verweerder heeft die vraag ontkennend beantwoord, omdat bijzondere omstandigheden niet zouden zijn aangevoerd en dergelijke omstandigheden hem ook niet bekend zijn.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet in de beroepsgronden ook geen bijzondere omstandigheden vermeld op grond waarvan verweerder van zijn beleid had moeten afwijken. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 8 EVRM en heeft in dat verband aangevoerd dat hij doende is zich te wortelen in de Nederlandse samenleving en dat hij een privéleven aan het opbouwen is. Verweerder heeft eiser dienaangaande mogen tegenwerpen dat hij deze stelling niet heeft onderbouwd en dat hij reeds daarom geen reden ziet om een privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan te nemen. Ten aanzien van het beroep van eiser op de ‘interim measures’ die zijn getroffen door het EHRM en de opmerking dat overdrachten aan Italië in verband met het coronavirus voor onbepaalde tijd zijn opgeschort heeft verweerder terecht opgemerkt dat deze ook geen recht op een verblijfsvergunning ‘humanitair tijdelijk’ opleveren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vergunning van eiser terecht heeft afgewezen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_91ca6b2c-e751-45f3-a7aa-a5487ebcaa73" label="1">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0221bc82-dff7-4a22-be17-04f80c212898" label="2">
    <para> zittingsplaats Middelburg, uitspraak 5 november 2019, zaaknummer NL19.22641</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91847488-e0c1-4d3a-814c-43c0dc8e7ab5" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak 20 november 2019, zaaknummer 201908189/1/V1</para>
  </footnote>
  <footnote id="_046683da-2725-4b41-b74d-81deba394c56" label="4">
    <para> Beslissing van 22 november 2019</para>
  </footnote>
  <footnote id="_360e5fdb-6f68-4af9-9c17-ab70d391059f" label="5">
    <para> Openbaar Ministerie</para>
  </footnote>
  <footnote id="_853baca8-2500-42a0-8a95-2638ceb5ec68" label="6">
    <para> Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0033fc29-ed9d-4535-9aac-77fc618cc463" label="7">
    <para> Vreemdelingenwet 2000</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71e465dc-6c03-4314-8837-612458be23ca" label="8">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7165154e-4eec-4f64-930d-d57143176111" label="9">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d086b3aa-41db-464b-8ba5-a8576d79d3a9" label="10">
    <para> Algemene wet bestuursrecht</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>