<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:3958</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-20T12:44:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.3253 en NL21.3254</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:3958">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:3958</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-20T12:41:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:3958 Rechtbank Den Haag , 01-04-2021 / NL21.3253 en NL21.3254</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:3958:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Marokko, verweerder heeft asiel terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en g, van de Vreemdelingenwet 2000,</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:3958:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: [zaaknummers]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum] , van Marokkaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. N. Akbalik),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. F. Schoot).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Met het besluit van 25 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen als kennelijk ongegrond. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaken zijn behandeld op de zitting van 23 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk Arabisch is M. Bauker verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank/voorzieningenrechter, hierna de rechtbank, heeft het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Eiser heeft eerder op 9 september 2020 een asielaanvraag gedaan in Nederland en is in afwachting van de beslissing met onbekende bestemming vertrokken. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag van eiser met het besluit van 12 oktober 2020 niet in behandeling genomen. Daarbij is eiser aangezegd dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten en is hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Eiser heeft vervolgens in Duitsland asiel gevraagd. Hij is op 13 september 2020 op grond van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_4a7e2e6a-9d6b-426b-8076-920b761c6c08" /> door Duitsland overgedragen aan Nederland. Eiser heeft zich echter niet gemeld in Ter Apel maar is naar Frankrijk is gegaan. Op 9 november 2020 heeft eiser zich weer in Ter Apel gemeld en heeft hij wederom asiel gevraagd maar hij was op 20 november 2020 alweer vertrokken met onbekende bestemming. Verweerder heeft met het besluit van 9 december 2020 de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Op 20 januari 2021 is eiser in Nederland door de politie aangehouden omdat hij wordt verdacht van het plegen van winkeldiefstal. Eiser heeft zich bij zijn aanhouding gelegitimeerd  met een verblijfsdocument van een andere asielzoeker. Eiser heeft vervolgens op dezelfde dag wederom een asielaanvraag ingediend. Eiser is vervolgens in vreemdelingenbewaring gesteld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beroepsgronden eiser</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.	Volgens eiser is zijn gehoor onzorgvuldig geweest. Verder betoogt eiser dat hij minderjarig is en dat voor minderjarigen niet geldt dat Marokko als veilig land van herkomst aangemerkt kan worden. Ook voor eiser persoonlijk is Marokko geen veilig land van herkomst. Volgens eiser wordt hij gezocht door de maffia die zijn ouders vermoord hebben. Hij vreest daarom voor zijn veiligheid als hij moet terugkeren naar Marokko.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: </para>
        <para>1.	identiteit, nationaliteit en herkomst;</para>
        <para>2. 	problemen op het internaat;</para>
        <para>3. 	eiser wordt gezocht door de maffia;</para>
        <para>4. 	problemen met de politie.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de elementen 1  en 2 geloofwaardig worden geacht, met uitzondering van het gestelde geboortejaar van eiser maar de elementen 3 en 4 niet. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en g, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Horen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Volgens eiser is zijn gehoor onzorgvuldig geweest omdat voortdurend onenigheid was tussen hem en de gehoormedewerker. Ook was hij niet voorbereid op het gehoor, had hij problemen met telehoren en voelde hij zich te ziek om aan het gehoor deel te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>Om te kunnen beoordelen of een vreemdeling bescherming nodig heeft, zal verweerder eiser in beginsel eerst moeten horen. Uit het verslag gehoor veilig land van herkomst, hierna het gehoor<footnote-ref linkend="_5fb32a78-eb29-4155-bbee-6f8a80c9c372" />, blijkt  dat eiser bij aanvang van het gehoor heeft aangegeven zich te moe te voelen om te worden gehoord. Ook verklaarde hij dat hij geen zin had in het gehoor en dat hij zich door ontwenning van drugs ziek voelde. Uit het verslag van het gehoor blijkt echter dat de gehoormedewerker rekening heeft gehouden met de klachten van eiser, dat eiser pauzes zijn aangeboden, bijvoorbeeld om te gaan eten, en dat eiser daarvan ook gebruik heeft gemaakt. Ook heeft eiser, op vragen van de gehoormedewerker om het aan te geven als hij zich zo slecht voelt dat hij niet verder kan gaan met het gehoor, geantwoord dat het gehoor moet worden gecontinueerd. Ten slotte heeft eiser aan het eind van het gehoor op vragen van de gehoormedewerker het volgende geantwoord.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Hebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?</emphasis>
        </para>
        <para>Het is goed geweest, God zij dank.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik wil u wijzen op de mogelijkheid om een klacht in te dienen.</emphasis>
        </para>
        <para>Van jullie beiden kant heb ik geen probleem dus ik heb niks te klagen.” </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>In het voorgaande vindt de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het gehoor onzorgvuldig is geweest. De rechtbank volgt niet de interpretatie van eiser dat hij wel klachten had, maar dat hij zo opgelucht was dat het gehoor teneinde was, dat hij deze niet wilde uiten. Dat de gemachtigde op de zitting stelt dat verweerder voor aanvang van het gehoor een advocaat had moeten regelen omdat hij eiser destijds alleen in het kader van de bewaring bijstond en niet voor de asielzaak, volgt de rechtbank evenmin. In het verslag<footnote-ref linkend="_c28ff5c4-41a2-45fb-b2b1-8b6760600995" /> staat dat de gehoormedewerker heeft gevraagd of hij het gehoor met zijn advocaat  heeft besproken. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Is het u duidelijk wat wij gaan bespreken vandaag?</emphasis>
        </para>
        <para>Ze hebben het mij verteld. Ze hebben mij zo maar uit mijn kamer gehaald. Ik wist helemaal niet dat ik een gesprek had vandaag.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als het goed is bent u voorbereid door uw advocaat op dit gesprek. Klopt dat?</emphasis>
        </para>
        <para>Ik kreeg pas een interview na de rechtszitting. Ik heb nog geen rechtszitting gehad.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is dat wat uw advocaat u heeft verteld?</emphasis>
        </para>
        <para>Dat ze na de rechtszitting gaan kijken wat ze met mij gaan doen.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Heeft uw advocaat met u doorgesproken wat er tijdens dit gehoor van u </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verwacht wordt?</emphasis>
        </para>
        <para>Hij had het over Schiphol asiel en dat is wat ik heb begrepen.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">U heeft een gesprek hierover gehad met uw advocaat begrijp ik?</emphasis>
        </para>
        <para>Ja.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Minderjarigheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Eiser stelt dat zijn [geboortejaar] is in plaats van [geboortejaar] en dat hij dus minderjarig is. Voor minderjarigen kan Marokko niet als veilig land van herkomst worden aangemerkt. Omdat eiser bij zijn eerste twee asielaanvragen geen rechtsbijstand heeft gehad, is het door hem opgegeven geboortejaar onjuist in het systeem terecht gekomen. Verweerder dient met een leeftijdsschouw of botonderzoek te onderbouwen dat hij meerderjarig is, aldus eiser.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de bewaringsrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in de uitspraak van 12 februari 2021<footnote-ref linkend="_a407cf3d-a8a2-4f69-bcbd-f0a791a3724e" /> het volgende over de gestelde minderjarigheid van eiser heeft geoordeeld.</para>
        <para>“<emphasis role="italic">Eiser betwist niet dat hij bij zijn eerste asielverzoek in Nederland heeft opgegeven te zijn geboren in 2002. Hij betwist evenmin dat hij in de justitiële documentatie bekend is met het geboortejaar 2002, en hij betwist ook niet dat hij bekend is onder het alias [alias] . Dat hij bij een later gedane asielaanvraag in Duitsland heeft opgegeven te zijn geboren in 2004 en dat op zijn telefoon een afbeelding staat van een geboorteakte met zijn naam en het geboortejaar 2004, heeft verweerder er niet toe hoeven brengen aan te nemen dat eiser zou zijn geboren in 2004; op de afbeelding staat geen foto en de authenticiteit van de geboorteakte op de afbeelding is op geen enkele wijze te verifiëren.”</emphasis></para>
        <para>Eiser heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, dus dit oordeel staat in rechte vast. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Veilig land van herkomst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat verweerder Marokko in zijn algemeenheid heeft kunnen aanmerken als veilig land van herkomst voor meerderjarigen. Dit betekent dat een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat vreemdelingen die uit Marokko afkomstig zijn geen internationale bescherming nodig hebben. Op eiser rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat Marokko niettemin voor hem niet veilig is of dat Marokko ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser daar niet in is geslaagd. Eiser zou vijf jaar oud zijn geweest toen zijn ouders zijn vermoord. Zowel gedurende de zeven jaar dat eiser in het internaat heeft gezeten als de tijd erna, tot eisers vertrek uit Marokko, heeft de maffia hem en zijn broers en zussen met rust gelaten. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser te vrezen heeft voor de maffia als hij terugkeert naar Marokko.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het inroepen van bescherming van de Marokkaanse autoriteiten voor hem onmogelijk of op voorhand zinloos is. Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom de Marokkaanse autoriteiten in zijn geval zullen nalaten om zijn vraag om bescherming in behandeling te nemen. Dat eiser ten onrechte door de politie zou zijn opgepakt vanwege het bezit van drugs, zoals eiser betoogt, betekent niet vanzelfsprekend dat de politie hem niet zal willen beschermen als dat nodig mocht zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inreisverbod</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Met het besluit van 12 oktober 2020 heeft verweerder eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Dit besluit staat in rechte vast. De gronden die eiser nu hiertegen heeft ingebracht, slagen om die reden niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep wordt beslist is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank:</para>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep met zaaknummer NL21.3253 ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL21.3254 af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid vanmr. W. Niekel, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep is beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
      <para>Tegen de uitspraak om het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4a7e2e6a-9d6b-426b-8076-920b761c6c08" label="1">
    <para> Vo 604/2014.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5fb32a78-eb29-4155-bbee-6f8a80c9c372" label="2">
    <para> 8 februari 2021.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c28ff5c4-41a2-45fb-b2b1-8b6760600995" label="3">
    <para> Pagina 2 en 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a407cf3d-a8a2-4f69-bcbd-f0a791a3724e" label="4">
    <para> NL 21.1551.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>