<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:32</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-08T15:22:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-01-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 8365</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:32">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:32</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-08T15:22:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:32 Rechtbank Den Haag , 11-01-2021 / AWB - 18 _ 8365</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:32:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser verzoekt om vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatige besluiten. De rechtbank wijst dit verzoek af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:32:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 18/8365</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de meervoudige militaire kamer van 11 januari 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Hoenen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Defensie, nu de staatssecretaris van Defensie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. N.A. Rijsterborgh).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 21 december 2018 heeft verzoeker een verzoek om schadevergoeding ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2019. Verzoeker was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. V. Dolderman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. P.J.H. Souren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 9 oktober 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, bepaald dat verzoeker een rapportage in het geding zou brengen over zijn inkomens- en vermogenspositie over de jaren 2014 en 2015 en bepaald dat verweerder een schriftelijke reactie daarop zou geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 december 2019 heeft verzoeker een rapport overgelegd van [naam 1] van ADECK Administraties &amp; Advies (ADECK) van 16 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 19 februari 2020 heeft verweerder daarop een reactie gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 16 april 2020 heeft verzoeker een reactie ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 mei 2020 heeft de rechtbank een tussenbeslissing genomen. De rechtbank was van oordeel dat verzoeker vooralsnog onvoldoende inzicht had gegeven in zijn vermogenspositie. Verzoeker werd in de gelegenheid gesteld over te leggen: de volledige aangiften inkomstenbelasting 2014 en 2015. Daarnaast werd hij in de gelegenheid gesteld een overzicht te geven van (al) zijn spaarrekeningen door de bijbehorende afschriften over te leggen over 2014 en 2015. Verzoeker had voorts onvoldoende inzage verstrekt in zijn daadwerkelijke uitgavenpatroon. Verzoeker werd in de gelegenheid gesteld zijn uitgavenpatroon aan de hand van alle bankafschriften over 2014 en 2015 inzichtelijk te maken. Ook wilde de rechtbank kennisnemen van alle correspondentie met betrekking tot verzoekers hypotheek uit 2013, 2014 en 2015, bij voorkeur met een bevestiging van deze correspondentie per brief van de hypotheeknemer (SNS Bank).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 17 juni 2020 en 18 juni 2020 heeft verzoeker stukken overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft daarop gereageerd bij brief van 17 juli 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 30 november 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. P.J.H. Souren en mr. B.J. Engels Linssen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Verzoeker was in de periode van 1989 tot 1 mei 1994 aangesteld als beroepsmilitair voor bepaalde tijd. Op 3 mei 1990 is verzoeker een ongeval overkomen dat is aangemerkt als dienstongeval en waarvoor verweerder een verband met de uitoefening van de militaire dienst heeft aanvaard. De aandoeningen waarvoor dienstverband is aangenomen zijn letsel van de linkerknie, de zenuwaandoening van het linkerbeen, de aandoening van de linker enkel en de aandoening van de linker heup en onderrug. Bij besluit van 13 mei 1996 is aan verzoeker met ingang van 1 februari 1996 een (militair) invaliditeitspensioen toegekend berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 40%. De mate van invaliditeit is met ingang van 13 oktober 2008 vastgesteld op 100%. Daarbij is verzoeker een bijzondere invaliditeitsverhoging toegekend van 40%.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Vanaf 29 december 1995 was verzoeker werkzaam in WSW-verband, voor het laatst als calculator bij een drukkerij.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Besluit van 10 september 2014</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij besluit van 10 september 2014 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheidspensioen vanaf 7 maart 2013 € 123,28 bruto per maand bedroeg, omdat hij vanaf die datum een WAO-uitkering ontving berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Voorts is verzoeker medegedeeld dat hij over de periode van 7 maart 2013 tot 1 september 2014 een nettobedrag van € 118,55 en een brutobedrag van € 32.094,53 te veel aan (militair) invaliditeitspensioen heeft ontvangen en dat dit bedrag van hem zou worden teruggevorderd door middel van een inhouding van € 750,- per maand en de netto vordering in de maand september 2014 zal worden verrekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij besluit van 23 januari 2015 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard in die zin dat het (bruto)bedrag van de maandelijkse inhouding met ingang van de maand februari 2015 wordt vastgesteld op € 460,- (bruto) in plaats van op € 750,-. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij uitspraak van 21 januari 2016 heeft deze rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij uitspraak van 9 maart 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van 21 januari 2016 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 23 januari 2015 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De CRvB heeft het besluit van 10 september 2014 herroepen voor zover daarbij invaliditeitspensioen is teruggevorderd en bepaald dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 23 januari 2015.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verzoek schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Verzoeker stelt door het herroepen besluit schade te hebben geleden en vraagt om vergoeding van de volgende schadeposten:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 208.027,46 voor de bouw van een adequate woning;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de kosten voor een hypothecaire lening van € 227.060,59, alsmede een garantstelling daarvoor of het verstrekken van een geldlening voor dit bedrag door verweerder;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 17.000,- voor verhuis- en inrichtingskosten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 605,- voor de kavel;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 1.253,90 voor de studieschuld in verband met de ouderbijdrage;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 3.600,- voor wettelijke rente en administratiekosten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 720,50 voor een geannuleerde vakantie;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een nader vast te stellen bedrag voor belastingschade;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 100.240,- voor immateriële schade;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een nader vast te stellen bedrag voor buitengerechtelijke kosten.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Voor zover de rechtbank oordeelt dat de onderbouwing van de schade onvoldoende is, heeft verzoeker verzocht om een of meerdere deskundige(n) te benoemen om de schade vast te stellen of in een tussenuitspraak te oordelen dat partijen in onderling overleg de hoogte van de schade vaststellen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Uitgangspunten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Het besluit van 10 september 2014 was onrechtmatig jegens verzoeker. De onrechtmatigheid kan aan verweerder worden toegerekend. Daarover zijn partijen het eens.</para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank moet, voor de beantwoording van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit of het onrechtmatig nalaten een besluit te nemen. Alleen schadeposten die aan het bestuursorgaan - mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en schade - als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend, komen voor vergoeding in aanmerking. De schadevergoeding moet de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit zich niet zou hebben voorgedaan. Het is aan de verzoeker om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken. </para>
      <para>Hieronder worden de door verzoeker gestelde schadeposten afzonderlijk, dan wel in combinatie met een of meer andere posten die daarvoor in aanmerking komen, besproken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">€ 208.027,46 voor de bouw van een adequate woning, verstrekken geldlening of garantstelling voor een hypotheek van € 227.060,59 en belastingschade</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Betoog verzoeker</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Verzoeker heeft aangegeven dat zijn inkomen na het besluit van 10 september 2014 aanzienlijk daalde. Netto ontving verzoeker nog maar € 1.118,22 per maand in plaats van € 2.663,99 per maand. Verzoeker kon niet meer voldoen aan zijn hypothecaire verplichtingen van € 1.263,28 per maand en dreigde door de hypotheekverstrekker uit huis te worden gezet. In oktober 2015 is de woning verkocht voor € 225.000,- en bleef verzoeker achter met een restschuld van € 175.996,56. Uiteindelijk heeft verzoeker aan de hypotheekverstrekker een afkoopsom van € 2.060,59 betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>Verzoeker stelt dat hij in een situatie dient te worden gebracht die vergelijkbaar is met die waarin hij in zijn oude, voor zijn persoonlijke situatie adequate woning woonde. Om die reden heeft verzoeker de kosten voor de bouw van een soortgelijke woning geschat en gaat verzoeker uit van een benodigd bedrag van € 208.027,46. Voor een bedrag van € 227.060,59 dient verzoeker daarnaast in de gelegenheid te worden gesteld om een hypothecaire geldlening af te sluiten. Door de gedwongen verkoop van de woning is verzoeker namelijk BKR-geregistreerd en komt hij tot maart 2021 niet in aanmerking voor een hypothecaire geldlening. Als gevolg van de gedwongen verkoop heeft verzoeker voorts geen recht meer gehad op hypotheekrenteaftrek. Het mislopen van hypotheekrenteaftrek wordt door verzoeker beschouwd als schade die door verweerder dient te worden vergoed.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>Verzoeker heeft vermeld dat hij in 2009 te kampen heeft gehad met financiële problemen waarvoor hij van verweerder een lening ontving. Deze lening heeft verzoeker ruim vóór de gedwongen verkoop afgelost, namelijk in mei 2013. In de periode tussen de aflossing van de lening en het besluit van 10 september 2014 stelt verzoeker geen financiële problemen te hebben gehad. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>Verweerder heeft erop gewezen dat de woning met instemming van verzoeker en zijn ex-partner [naam 2] is verkocht. Van een gedwongen verkoop is dus geen sprake.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Verder is verweerder van mening dat een rechtmatig besluit naar aard en omvang dezelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Op basis van een advies van [naam 3] , casemanager bijzondere doelgroepen van de Kredietbank Limburg, van 10 februari 2015 heeft verweerder geconcludeerd dat verzoeker óók ná 2009 wel degelijk te kampen had met ernstige financiële problemen en te hoge hypotheeklasten. De casemanager, die volledig inzicht had in de inkomsten en uitgaven van verzoeker, heeft immers geconcludeerd dat altijd al sprake is geweest van een aanzienlijke hypotheek (die destijds is afgesloten op basis van het inkomen van verzoeker én dat van de ex-partner) en extreem hoge woonlasten. Ook heeft de casemanager geconcludeerd dat de op de woning rustende hypotheek van € 455.000,- niet in verhouding staat tot de taxatiewaarde van de woning op dat moment (€ 250.000,-). Er zou daarom altijd sprake zijn geweest/gebleven van een aanzienlijke restschuld, ongeacht of de woning zou worden aangehouden of (al dan niet gedwongen) verkocht. Ook blijkt uit het advies dat verzoeker, in tegenstelling tot wat hij heeft gesteld, wel degelijk te kampen heeft gehad met schulden bij andere instanties. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>Ook acht verweerder van belang dat de ex-partner tevens eigenaar van de woning en hypotheekgever was. Zij werd niet geraakt door het besluit van 10 september 2014. De terugvordering had immers geen betrekking op haar. Zij kon echter, gelet op de verkoop van de woning, blijkbaar evenmin de hypotheeklasten voldoen. Reeds om deze reden kan volgens verweerder geen causaal verband aanwezig worden geacht tussen het besluit van 10 september 2014 en de verkoop.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <para>Zelfs indien een causaal verband aanwezig zou zijn, dient te worden vastgesteld dat verzoeker niet heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht. Verzoeker heeft immers, terwijl hij ervan op de hoogte was dat hij zijn maandelijkse lasten niet kon voldoen, geen maatregelen genomen om de financiële situatie te verbeteren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5</nr>
      <para>De restschuld is afgekocht voor het bedrag van € 2.060,59. Uit de brief van SNS Bank van 11 maart 2016 blijkt dat de SNS Bank afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht jegens verzoeker voor de resterende schuld. De inmiddels afgekochte restschuld is volgens verweerder daarom niet te kwalificeren als schade.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.6</nr>
      <para>Ook ontbreekt volgens verweerder het causale verband tussen de hoogte van de restschuld en het besluit van 10 september 2014. Op de woning rustte een extreem hoge hypotheek die niet in verhouding stond tot de werkelijke waarde van de woning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.7</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat er volgens verweerder geen causaal verband bestaat tussen de restschuld en het besluit van 10 september 2014, kan er ook geen causaal verband bestaan tussen de afkoopsom die ziet op de restschuld en het besluit van 10 september 2014. </para>
        <para>De afkoopregeling is voorts door verzoeker zelf - vrijwillig - getroffen met de SNS Bank. De beweerdelijke schade in de vorm van de afkoopsom staat daarom niet in zodanig verband met het besluit van 10 september 2014 dat zij, mede gezien de aard van het besluit van 10 september 2014 en van de beweerdelijke schade, als een gevolg van het besluit van 10 september 2014 aan verweerder zou kunnen worden toegerekend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.8</nr>
      <para>Evenmin bestaat volgens verweerder aanleiding om de kosten voor de bouw van een nieuwe woning te vergoeden. Zelfs indien daartoe aanleiding zou zijn, merkt verweerder het volgende op. Verzoeker heeft in het geheel niet aangetoond dat het absoluut noodzakelijk is om een nieuwe woning te bouwen om hem in een toestand te brengen waarin hij zou verkeren als het besluit van 10 september 2014 niet zou zijn genomen. Gesteld noch gebleken is dat is dat een bestaande woning - eventueel met het doorvoeren van enige aanpassingen - niet zou volstaan. Maar zelfs indien een nieuwe woning zou moeten worden gebouwd, is het door verzoeker gestelde schadebedrag van € 435.088,05 volgens verweerder geheel uit de lucht gegrepen. Er is weliswaar een kostenraming bij het verzoekschrift gevoegd, maar de bedragen die hierin zijn opgenomen zijn uit de lucht gegrepen en gebaseerd op grove schattingen. Niet gemotiveerd is waarom niet kan worden volstaan met een andere, goedkopere bouwkavel. De hoogte van de aanneemkosten betreft een zeer grove schatting. Een offerte is door verzoeker niet overgelegd. De overige kosten in de kostenraming zijn in het geheel niet onderbouwd en betwist verweerder integraal. Ook wordt de noodzaak van het maken van de kosten niet onderbouwd. Verder is onduidelijk waar het verschil tussen het subtotaal in 2017 en 2018 vandaan komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.9</nr>
      <para>Volgens verweerder bestaat er geen causaal verband tussen de BKR-registratie en het besluit van 10 september 2014 aangezien deze registratie het gevolg is van de verkoop van de woning en er geen causaal verband is tussen de verkoop van de woning en het besluit van 10 september 2014. Daarnaast heeft verweerder opgemerkt dat de BKR-registratie het gevolg is van de afkoopregeling die verzoeker zelf - vrijwillig - heeft getroffen met de SNS Bank. Verder is de BKR-registratie niet te kwalificeren als schade. Ook meent verweerder dat de beweerdelijke schade in de vorm van de BKR-registratie niet in een zodanig verband staat met het besluit van 10 september 2014, dat deze registratie mede gezien de aard van de schade en de aansprakelijkheid aan verweerder kan worden toegerekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.10</nr>
      <parablock>
        <para>Verder stelt verzoeker dat ‘het mislopen van hypotheekrenteaftrek’ door hem wordt beschouwd als schade die verweerder dient te vergoeden. Volgens verweerder is niet aangetoond dat verzoeker hypotheekrenteaftrek is misgelopen. Door de verkoop van de woning was verzoeker geen hypotheekgever meer. Wanneer men geen hypotheek heeft afgesloten, kan men logischerwijs geen aanspraak maken op hypotheekrenteaftrek. Verweerder ziet niet in hoe dit dan zou zijn te kwalificeren als ‘het mislopen van hypotheekrenteaftrek’. Er is derhalve geen sprake van schade, aldus verweerder.</para>
        <para>Zou het mislopen van hypotheekrenteaftrek zijn te beschouwen als schade, dan heeft te gelden dat geen causaal verband bestaat tussen deze schade en het besluit van 10 september 2014. Omdat de verkoop van de woning geen gevolg is van het besluit van 10 september 2014, zou deze schade immers ook zijn ontstaan wanneer verweerder een rechtmatig besluit zou hebben genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.11</nr>
      <para>Ten slotte geldt dat, als er al sprake is van schade, deze schade in het geheel niet is onderbouwd of aangetoond en wordt betwist.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Rapport van ADECK van 16 december 2019</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <parablock>
        <para>In het rapport van ADECK staat dat verzoeker in de maanden september tot en met december 2014 circa € 1.472,- minder netto inkomen heeft genoten. In de maanden september 2014 tot en met december 2014 heeft er een bruto invordering plaatsgevonden van € 750,- per maand; in totaal vier maanden ad € 750,- is € 3.000,-. Per 31 december 2014 bedroeg de schuld aan verweerder (€ 32.095,- - € 3.000,- =) € 29.095,-.</para>
        <para>In de maanden januari tot en met december 2015 is circa € 1.450,- minder netto inkomen genoten. In de maand januari 2015 heeft er een bruto invordering plaatsgevonden van € 750,-; in de maanden februari 2015 tot en met december 2015 € 460,- per maand. In totaal is in 2015 € 5.810,- ingehouden. Per 31 december 2015 bedroeg de bruto schuld aan het ABP (€ 29.095,- - € 5.810,- =) € 23.285,-. Het rapport bevat voorts een overzicht van inkomsten en uitgaven over de jaren 2014 en 2015 met een toelichting en ondersteunende producties.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2</nr>
      <para>Naast het rapport van ADECK heeft verzoeker stukken overgelegd van het BKR.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Reactie verweerder 19 februari 2020</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1</nr>
      <para>Op 19 februari 2020 heeft verweerder gereageerd op het door verzoeker overgelegde rapport van ADECK van 16 december 2019. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2</nr>
      <para>In zijn reactie van 19 februari 2020 heeft verweerder aangevoerd dat onduidelijk is of ADECK beschikt over de benodigde kwalificaties en - nog belangrijker - of deze partij als onafhankelijk adviseur opereert. In dat kader heeft verweerder opgemerkt dat verzoeker niet bij hem heeft geïnformeerd of de keuze voor deze adviseur akkoord was. Ook is volgens verweerder volstrekt onduidelijk welke opdracht de adviseur van verzoeker heeft meegekregen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3</nr>
      <para>Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat bij de spreadsheets slechts een selectie van de financiële stukken is gevoegd. Een volledig dossier, met alle rekeningafschriften over de periode van september 2014 tot en met december 2015 ontbrak. Onduidelijk was of de adviseur wél alle rekeningafschriften had gezien en beoordeeld of dat hij had volstaan met het beoordelen van de bijgevoegde selectie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.4</nr>
      <para>Ook heeft verweerder geconstateerd dat in het rapport in het geheel geen aandacht is besteed aan de spaarrekening die verzoeker heeft en het bedrag aan spaargeld dat op deze rekening stond in de periode 2014-2015. In de selectie van bankafschriften is immers duidelijk te zien dat door verzoeker op meerdere momenten een geldbedrag is overgemaakt naar zijn spaarrekening. Onduidelijk is aldus over hoeveel spaargeld verzoeker beschikte. Omdat in de toelichting op de spreadsheets wordt aangegeven dat verzoeker tot september 2014 ruimschoots voldoende overhield om in zijn verdere levensonderhoud te voorzien en om te kunnen sparen is volgens verweerder zeer aannemelijk dat verzoeker beschikte over een redelijke reserve. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.5</nr>
      <para>Tevens heeft verweerder geconstateerd dat in de selectie van bankafschriften tal van uitgaven zijn opgenomen waarvan niet duidelijk is onder welke post (zoals opgenomen in de spreadsheets) deze uitgaven (kunnen) vallen. Ook overigens is het overzicht volgens verweerder niet duidelijk omdat, anders dan de kleurlegenda doet vermoeden, geen roodgekleurde cijfers in het jaar 2015 zijn opgenomen. Ten slotte heeft verweerder opgemerkt dat verzoeker buiten de instructie van de rechtbank om stukken heeft ingediend van het BKR waarin een toelichting van verzoeker zelf is opgenomen. Verweerder vindt dat deze stukken buiten beschouwing moeten blijven, ook omdat verzoeker deze stukken eerder had kunnen indienen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Reactie van verzoeker van 10 april 2020 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.1</nr>
      <para>Verzoeker heeft op 10 april 2020 gereageerd op de reactie van verweerder van 19 februari 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.2</nr>
      <para>Verzoeker heeft erop gewezen dat hij op 11 november 2019 contact heeft opgenomen met verweerders gemachtigde en het voornemen kenbaar heeft gemaakt om [naam 1] van ADECK in te schakelen om een rapportage te maken. Het had op de weg van verweerder gelegen om op dat moment vraagtekens te plaatsen bij de in te schakelen deskundige. Dit heeft verweerder nagelaten. Het is onbegrijpelijk dat verweerder dit alsnog doet. Verder heeft verweerder niet onderbouwd waarom [naam 1] niet over de benodigde kwalificaties zou beschikken of waarom aan de onafhankelijkheid getwijfeld zou moeten worden. Verzoeker heeft aangegeven dat de adviseur op een deugdelijke en controleerbare wijze aan de slag is gegaan met de opdracht uit de heropeningsbeslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.3</nr>
      <para>Volgens verzoeker heeft [naam 1] alle benodigde stukken van verzoeker ontvangen. Daarnaast begrijpt verzoeker niet waarom het voor verweerder niet mogelijk is om de opgestelde rapportage te verifiëren en puntsgewijs op de inkomens- en vermogenspositie te reageren. De betaalspecificaties van het ABP over de periode januari 2014 tot en met december 2014 zijn bijgevoegd. De inkomsten kunnen om die reden gecontroleerd worden. Verzoeker heeft een toelichting gegeven op de ‘uitgaven vaste lasten’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.4</nr>
      <para>Uit het rapport van [naam 1] blijkt dat verzoeker in de periode van januari tot september 2014 een bedrag van € 5.963,93 overhield. In de periode van september tot en met december 2014 kwam verzoeker een bedrag van € 4.000,- tekort. Verzoeker heeft in de periode september tot en met december 2014 juist aan zijn verplichtingen kunnen voldoen door gebruik te maken van zijn spaargeld. De achterstanden zijn, zoals op de uitdraai van de BKR te lezen is, pas ontstaan in maart 2015.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.5</nr>
      <para>Verzoeker heeft aangevoerd dat de stukken van het BKR ruim voor een tweede zitting zijn overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.6</nr>
      <para>Verder heeft verzoeker betoogd dat hij juist door de gang van zaken zijn schade heeft beperkt. Van een vrijwillige keuze om de woning te verkopen is geen sprake geweest. Als hij niet zou hebben meegewerkt aan de taxatie van de woning die als onderpand aan de hypotheek was verbonden, zou de bank het veilingtraject hebben opgestart. Het verlenen van een onherroepelijke volmacht aan de bank om namens verzoeker het registergoed te verkopen en te leveren, was dan ook een laatste optie voordat zou worden overgegaan tot executoriale verkoop. Vanwege de vermoedelijk lagere verkoopopbrengst bij een executoriale verkoop was er voor verzoeker sprake van een gedwongen verkoop.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Reactie van verweerder van 17 juli 2020</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.1</nr>
      <para>Op 17 juli 2020 heeft verweerder gereageerd op de stukken die verzoeker op 17 en 18 juni 2020 heeft ingediend naar aanleiding van de tussenbeslissing van de rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.2</nr>
      <para>In zijn reactie van 17 juli 2020 heeft verweerder opgemerkt dat verzoeker de rekeningafschriften van de spaarrekening van juli 2015 niet heeft overgelegd. Verder heeft verweerder opgemerkt dat verzoeker in 2015 - afgezien van juli, waarover geen rekeningafschriften zijn overgelegd  een bedrag van € 14.030,- aan contant geld heeft opgenomen, dus gemiddeld € 1.170,- per maand. Het is in het geheel onduidelijk wat met deze geldbedragen is gebeurd en wat dit betekende voor de financiële positie van verzoeker. In ieder geval zijn deze geldbedragen niet aangewend om de hypotheeklasten geheel of gedeeltelijk te betalen, aangezien in de rekeningafschriften te zien is dat vanaf omstreeks januari 2015 geen betalingen meer zijn gedaan aan SNS Bank en/of Interbank. Verweerder heeft aangevoerd dat het door ADECK opgestelde overzicht niet correct is. Er wordt immers aangegeven dat vanaf september 2014 per maand een tekort aan geld resteerde. Daarbij is echter niet meegenomen dat maandelijks grote bedragen aan contant geld werden opgenomen waarvan de bestemming onbekend is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.3</nr>
      <para>Voorts heeft verweerder aangevoerd dat de door ADECK opgestelde financiële overzichten niet geheel overeenkomen met de werkelijke uitgaven van verzoeker. ADECK heeft in het overzicht opgenomen dat verzoeker per maand € 300,- aan leefgeld besteedde, € 100,- aan brandstof en € 50,- aan onvoorziene kosten. Onder leefgeld moeten volgens verweerder de kosten worden begrepen die gemoeid zijn met boodschappen, inkopen bij bouwmarkten of voor in huis, kleding, andere inkopen en de bijdragen aan de kinderen. Verweerder heeft geconstateerd dat deze bedragen in bijvoorbeeld september en oktober 2014 ruim werden overschreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.4</nr>
      <para>Op pagina 3 van de door verzoeker overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2014 en aangifte inkomstenbelasting 2015 is aangegeven dat er beleggingen zijn, hieronder kunnen worden verstaan:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>i) beleggingsrekeningen, aandelen, obligaties, opties, winstbewijzen en dergelijke,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>ii) groene beleggingen.</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>iii) leningen aan startende ondernemers (durfkapitaal).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Onduidelijk is hoeveel en wat voor soort beleggingen verzoeker had en hoeveel deze beleggingen waard waren. Verzoeker heeft hierover in het geheel geen nadere stukken overgelegd, zodat ook om deze reden de vermogenspositie van verzoeker niet helemaal in kaart is gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.5</nr>
      <para>Volgens de door verzoeker overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2014 heeft de partner van verzoeker heel 2014 op hetzelfde adres ingeschreven gestaan als verzoeker ( [adres] te [plaats] ). Volgens de aangifte inkomstenbelasting 2015 heeft de partner van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 op hetzelfde adres als verzoeker ingeschreven gestaan ( [adres] te [plaats] ). Daarbij klemt echter dat uit de bankafschriften blijkt dat de partner geen enkele bijdrage leverde aan de vaste lasten. Zij maakte alleen maandelijks een bijdrage over voor haar zorgverzekering. Door geen bijdrage te ontvangen van de partner zijn de woonlasten – die bovendien hoger zijn bij een meer-/tweepersoons huishouden – zwaarder op verzoeker gaan drukken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.6</nr>
      <para>Verweerder heeft herhaald dat de ex-partner, net als verzoeker, hoofdelijk aansprakelijk was voor de hypotheekschuld. Wanneer verzoeker de hypotheeklasten niet zou kunnen voldoen, was het aan [naam 2] om deze hypotheeklasten te dragen. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt voor rekening en risico van beide schuldenaars.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.7</nr>
      <para>Volgens de aangifte inkomstenbelasting 2015 bedroeg de hypotheekschuld op 1 januari 2015 € 393.750,-. De WOZ-waarde bedroeg volgens de belastingaangifte op 1 januari 2015 € 217.000,-. Met andere woorden: de woning was overgefinancierd en stond onder water. Dat blijkt ook wel nu de woning uiteindelijk bij de verkoop € 225.000,- opbracht. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens verweerder dus dat de woonlasten buitensporig hoog waren en niet in overeenstemming waren met de objectieve waarde van de woning.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.8</nr>
      <para>Verder kan uit de correspondentie met de SNS Bank volgens verweerder niet worden opgemaakt dat sprake zou zijn geweest van een gedwongen verkoop. Verzoeker en/of de ex-partner hebben een volmacht gegeven tot verkoop van de woning.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Reactie van verzoeker van 18 november 2020</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.1</nr>
      <para>Bij zijn reactie van 18 november 2020 heeft verzoeker alsnog afschriften van de spaarrekening van juli 2015 overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.2</nr>
      <parablock>
        <para>De gelden die contant van de spaarrekening werden opgenomen zijn gelden die eerder van de privérekening zijn overgeboekt. Dit blijkt uit de rekeningafschriften. </para>
        <para>Overigens gebruikte verzoeker de contante gelden om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook werd de huishoudelijke hulp contant betaald. Verder werden de contante gelden gebruikt voor het betalen van de protheses. Verzoeker heeft erop gewezen dat de contante betaling voor deze zaken ook blijkt uit het gegeven dat zijn aankopen in de periode van februari tot en met december 2015 relatief weinig per pin zijn betaald. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.3</nr>
      <para>Verzoeker heeft verder opgemerkt dat in het rapport van ADECK is uitgegaan van gemiddelden. Verder heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de beleggingen ten onrechte op de belastingaangifte staan. De beleggingen hebben betrekking op een beleggersrekening die verpand was aan de hypotheek en die ook gefinancierd was uit de hypotheek. Aan deze beleggersrekening kon verzoeker niet komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.4</nr>
      <para>Verzoeker heeft vermeld dat al in het verzoekschrift van 21 december 2018 is opgemerkt dat hij in 2014 ging samenwonen met de partner. Bij dit verzoekschrift is ook het samenlevingscontract gevoegd. Zij genoot inkomen en had spaargeld. In deze procedure is niet op haar inkomens- en vermogenspositie ingegaan, omdat er geen schade namens of voor haar is gevorderd. Voorts zijn de afspraken die destijds tussen verzoeker en zijn partner zijn gemaakt een interne aangelegenheid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.5</nr>
      <para>Verder vindt verzoeker dat de ex-partner – die eveneens hoofdelijk aansprakelijk was voor de hypotheekschuld – ook geen rol speelt in deze procedure, omdat er geen schade wordt gevorderd namens of voor haar. Bovendien geldt in de letselschadepraktijk dat de veroorzaker van de schade het slachtoffer moet nemen zoals hij/zij is. Ook de afspraken die verzoeker destijds met zijn ex-partner heeft gemaakt, betreffen een interne aangelegenheid. Bovendien was verzoeker sinds 2008 niet meer samen met zijn ex-partner, ontving zij een bijstandsuitkering en droeg zij financieel niet bij. Verzoeker was in gesprek met de bank om de hypotheek volledig op zijn naam te krijgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.6</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker betwist dat de woonlasten buitensporig hoog waren en niet in overeenstemming waren met de objectieve waarde van de woning. Verzoeker kon de vaste lasten voor het besluit van 10 september 2014 zonder problemen betalen.</para>
        <para>Verweerder lijkt te vergeten dat de nasleep van de huizencrisis nog voelbaar was in 2015. De WOZ-waarde was daarom op 1 januari 2015 aanzienlijk lager dan de hypotheekschuld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.7</nr>
      <para>Verder heeft verzoeker aangegeven dat hij door de ingrijpende verlaging van zijn netto inkomsten niet meer aan zijn bancaire verplichtingen kon voldoen. Bij het voldoen van de hypothecaire verplichtingen jegens SNS Bank van netto € 1.230,- per maand, zou er een bedrag van € 76,60 resteren. Indien verzoeker niet zou meewerken aan de taxatie van de woning die als onderpand aan de hypotheek was verbonden, zou de bank het veilingtraject opstarten. Vanwege de vermoedelijk lagere verkoop bij een executoriale verkoop was er om die reden voor verzoeker zeer zeker sprake van een gedwongen verkoop.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.1</nr>
      <para>Tijdens de zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat uit het financieel jaaroverzicht 2014 van SNS Bank blijkt dat op verzoekers woning een hypotheek rustte van € 393.750,-. Op 31 december 2014 resteerde van die hypotheek nog hetzelfde bedrag: € 393.750,-. Verzoeker betaalde alleen hypotheekrente en loste verder niet af. Dit heeft verzoeker niet weersproken. Verzoeker heeft erop gewezen dat de schadevergoeding de betrokkene zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit zich niet zou hebben voorgedaan. Voordat een bedrag aan schadevergoeding kan worden vastgesteld, moet evenwel naar het oordeel van de rechtbank eerst worden vastgesteld dat schade is geleden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.2</nr>
      <para>De schade die verzoeker stelt, betreft in feite het gederfde woongenot verbonden aan het bewonen van de woning waarop een hypotheek rustte. Dit gederfde woongenot is, daargelaten dat dit geen materiële schade betreft, door verzoeker niet afzonderlijk op geld gewaardeerd – los van de nog te bespreken verzamelpost immateriële schade. Nu verzoeker geen eigen geld in de woning had gestoken, voorafgaand aan de verkoop geen betalingen ter aflossing van de lening hebben plaatsgehad en evenmin sprake was van een overwaarde – op de woning rustte immers een volledige hypotheek die hoger was dan de waarde van het huis – is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van door verzoeker geleden (materiële) schade door de verkoop van zijn woning. Temeer niet nu zijn restschuld door de bank na de verkoop grotendeels is kwijtgescholden. Reeds hierom dient het verzoek om vergoeding van de bouw van een nieuwe, vergelijkbare woning te worden afgewezen. Nu verzoeker nooit een dergelijke woning in (onbeperkte) eigendom heeft gehad, kan de daaraan gekoppelde waarde niet als door verzoeker geleden schade opgevoerd worden. Het verzoek om daarvoor een (gedeeltelijke) lening te verstrekken of voor een dergelijke lening garant te staan, kan evenmin worden toegewezen, nu dit strikt genomen geen verzoek om schadevergoeding inhoudt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.3</nr>
      <para>Daarnaast geldt dat ook als wel sprake zou zijn geweest van schade, het oorzakelijk verband met het onrechtmatige besluit van 10 september 2014 niet aannemelijk is geworden. Verzoeker heeft het rapport van ADECK van 16 december 2019 overgelegd met het oogmerk om daarmee aan te tonen dat hij door de gewijzigde inkomenspositie van na het besluit van 10 september 2014 niet meer in staat was zijn woonlasten te dragen en daardoor gedwongen werd zijn huis te verkopen. In het rapport van ADECK wordt volgens verzoeker bij verschillende uitgaveposten uitgegaan van gemiddelden. De rechtbank heeft op basis hiervan onvoldoende verzoekers inkomens- en vermogenspositie kunnen vaststellen, aangezien op de rekeningafschriften van verzoeker bedragen voorkomen die niet op eenduidige wijze zijn te herleiden tot de weergegeven posten met gemiddelde uitgaven. Hoe deze gemiddelden zijn berekend is daarnaast op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Voorts is het overzicht onvolledig. Zo ontbreekt op de rekeningafschriften vanaf mei 2014 de teruggave van de hypotheekrente door de Belastingdienst. Tijdens de zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij dit bedrag vanaf toen eenmaal per jaar kreeg op een rekening van de SNS Bank. De rechtbank heeft van deze rekening in het geheel geen gegevens gezien. Voor zover deze gegevens niet meer te krijgen zijn, zoals verzoeker heeft gesteld, komt dit voor risico van verzoeker, die de bewijslast daarvoor draagt. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat de verkoop van verzoekers woning het gevolg is geweest van het besluit van 10 september 2014, hoewel voorstelbaar is dat dit besluit een grote impact heeft gehad op verzoekers financiële situatie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.4</nr>
      <para>Ten aanzien van de door verzoeker gestelde schade in de vorm van gederfde hypotheekrenteaftrek concludeert de rechtbank dat deze door verzoeker allereerst niet is geconcretiseerd en daarnaast niet als schade is te kwalificeren. Belastingaftrek wegens een hypotheek op onroerend goed, is een fiscale maatregel om de woonlasten voor het bezit van onroerend goed te verminderen en daarmee het particuliere woningbezit te stimuleren. Wie geen woning in eigendom heeft waarop een hypotheek rust, heeft bijgevolg geen recht op hypotheekrenteaftrek, maar heeft evenmin de woonlasten – in de vorm van aflossing en rente – die op de hypotheek rusten. De derving van hypotheekrenteaftrek kan dan ook in dit geval niet als schade worden gekwalificeerd. Nu tevens is gebleken dat verzoeker thans minder huur betaalt voor zijn huidige woning dan de (netto) hypotheeklasten die hij betaalde voor zijn met hypotheek belaste, vorige woning, is er evenmin sprake van eventuele schade door hogere (netto) woonlasten ten opzichte van de situatie van voor de verkoop van zijn huis.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">€ 17.000,- voor verhuis- en inrichtingskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verzoeker</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>14. Verzoeker vordert herinrichtingskosten en verhuiskosten vanwege de gedwongen verhuizing in 2015 en de toekomstige verhuizing naar een adequate woning. Wat betreft het bedrag heeft verzoeker aansluiting gezocht bij de financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor een verhuizing van de gemeente Emmen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>15. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een causaal verband tussen de beweerdelijke verhuis- en inrichtingskosten niet aanwezig is, omdat een causaal verband tussen de verkoop van de woning en het herroepen gedeelte van het besluit van 10 september 2014 niet aanwezig is. Daarenboven is niet bewezen dat deze kosten zijn gemaakt. Ook de hoogte van de kosten wordt niet onderbouwd met facturen en/of offertes en wordt daarom als zodanig betwist. Voorts is onduidelijk wat verzoeker schaart onder de noemer ‘herinrichtingskosten’. Voor zover hij daarmee meubilair bedoelt, wijst verweerder erop dat niet is aangetoond en volstrekt onaannemelijk is dat bij elke verhuizing nieuw meubilair zou moeten worden aangeschaft. Voor zover verzoeker doelt op de kosten voor de aanschaf van vloeren, gordijnen, verf, etc., merkt verweerder op dat deze kosten al zijn opgevoerd in het kader van de aankoop van de nieuw te bouwen woning.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>16. Nu, zoals hiervoor onder 13.3 is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank uit het vermogensoverzicht van verzoeker niet kan worden vastgesteld dat de verkoop van zijn woning het (noodzakelijk) gevolg was van het besluit van 10 september 2014, geldt dit om dezelfde redenen ook voor de verhuizing naar zijn huidige huurwoning. De daarmee verband houdende verhuis- en inrichtingskosten kunnen daarom, nog daargelaten dat deze niet concreet zijn gemaakt, evenmin aan dat besluit worden toegerekend. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de verhuis- en inrichtingskosten dan ook af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">€ 605,- voor de kavel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verzoeker</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>17. Verzoeker heeft op 22 maart 2017 een optieovereenkomst gesloten voor een individuele kavel met de gemeente Emmen. Volgens verzoeker was hij op dat moment in de veronderstelling dat hij schadeloos zou worden gesteld. Omdat verzoeker niet in aanmerking komt voor een hypothecaire geldlening, moeten de kosten voor de kavel als kosten zonder nut worden aangemerkt. Volgens verzoeker komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Zonder het besluit van 10 september 2014 zou verzoeker geen inadequate huurwoning bewonen en was het niet nodig geweest om een optieovereenkomst overeen te komen voor het laten bouwen van een adequate woning.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>18. Verweerder heeft opgemerkt dat verzoeker er zelf voor heeft gekozen een optieovereenkomst te sluiten, terwijl hij wist dan wel had kunnen weten dat hij niet in aanmerking komt voor een hypotheek. Hij wist, of kon dus redelijkerwijs weten dat hij kosten zonder nut zou maken wanneer hij een optieovereenkomst zou sluiten. Deze kosten dienen dan ook geheel voor eigen rekening en risico van verzoeker te komen en kunnen daarom niet worden toegerekend aan verweerder.</para>
      <para>Daarnaast dient te worden geconcludeerd dat een causaal verband tussen de kosten en het besluit van 10 september 2014 ontbreekt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>19. Zoals hierboven overwogen, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verkoop van verzoekers woning het gevolg is geweest van het besluit van 10 september 2014. Dit betekent dat ook niet kan worden vastgesteld dat de kosten van de kavel het gevolg zijn geweest van het besluit van 10 september 2014. </para>
      <para>Daarenboven constateert de rechtbank dat verzoeker de optieovereenkomst met de gemeente Emmen is aangegaan op een moment dat er nog geen concreet zicht was op een schadevergoeding in verband met de verkoop van de woning van verzoeker. De aansprakelijkstelling van verweerder voor het door de CRvB op 9 maart 2017 vernietigde (deel)besluit van verweerder vond plaats op 24 mei 2017, terwijl de optieovereenkomst al op 22 maart 2017 werd aangegaan. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het aangaan van een optieovereenkomst voor de kavel prematuur en komt deze voor rekening van verzoeker. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van die kosten af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">€ 1.253,90 voor de studieschuld in verband met de ouderbijdrage</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verzoeker</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>20. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij gelet op zijn financiële situatie de studiekosten van zijn dochter niet kon betalen. Als gevolg daarvan heeft zijn dochter een studieschuld opgebouwd van € 14.287,57. Het bedrag van € 13.033,64 wordt omgezet in een gift, omdat de dochter van verzoeker haar diploma heeft behaald. Het restant van € 1.253,90 netto komt volgens verzoeker voor vergoeding in aanmerking.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>21. Naar verweerders meent, komt de opgevoerde kostenpost niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten zijn niet gemaakt door verzoeker zelf, zodat deze beweerdelijke schade niet is te kwalificeren als verzoekers schade. </para>
      <para>Ook is niet aangetoond dat de beweerdelijke schade niet zou zijn ontstaan wanneer een rechtmatig besluit door verweerder zou zijn genomen. De dochter kan er, ongeacht of zij een bijdrage in haar studiekosten van verzoeker zou ontvangen, immers altijd voor kiezen om een studielening aan te gaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>22. De rechtbank leest onderhavig verzoek van verzoeker impliciet als een schadevergoedingsverzoek van zijn dochter als belanghebbende. Verzoeker stelt zelf immers niet deze schade te hebben geleden. Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Verzoekers dochter is echter geen belanghebbende in de zin van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien niet aannemelijk is gemaakt dat zij moet worden aangemerkt als belanghebbende bij het (mogelijk schadeveroorzakende) besluit van 10 september 2014. Haar studieschuld komt daarom al niet voor vergoeding in aanmerking. </para>
      <para>Verder is de rechtbank van oordeel dat verzoeker het causale verband tussen het besluit van 10 september 2014 en de studieschuld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de studieschuld af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">€ 3.600,- voor wettelijke rente en administratiekosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verzoeker</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>23. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij als gevolg van het besluit van 10 september 2014 niet tijdig gehoor kon geven aan schuldeisers. Om de oplopende wettelijke rente en administratiekosten te beperken heeft de moeder van verzoeker op 3 maart 2016 een bedrag van € 3.600,- naar hem overgemaakt. Verzoeker heeft een verklaring overgelegd van zijn moeder van 4 september 2019. Zij heeft verklaard dat zij het bedrag van € 3.600,- heeft geschonken. Maar nu blijkt dat verzoeker in maart 2017 in het gelijk is gesteld door de CRvB lijkt het haar billijk dat haar schenking door hem als schadepost wordt opgevoerd en dat zij haar geld terugkrijgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>24. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker in het geheel niet heeft aangetoond dat hij wettelijke rente en administratiekosten heeft moeten betalen. Er worden geen aanmaningen overgelegd. Evenmin is aangetoond dat er een causaal verband bestaat tussen de beweerdelijk gemaakte kosten en het besluit van 10 september 2014. Verzoeker verkeerde om andere redenen in financiële problemen. Niet is aangetoond dat wanneer verweerder een rechtmatig besluit zou hebben genomen, deze kosten niet zouden zijn gemaakt door verzoeker. Ten slotte is geen sprake van schade. Verzoeker heeft immers het bedrag van € 3.600,- geschonken gekregen van zijn moeder en hoeft dit bedrag dus niet terug te betalen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>25. Verzoeker heeft een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op 3 maart 2016 een schenking heeft ontvangen van € 3.600,-. De verklaring van verzoekers moeder van 4 september 2019 dat het haar billijk lijkt dat haar schenking als schadepost wordt opgevoerd is onvoldoende om het bedrag nu als een lening aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij dit bedrag aan schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 10 september 2014. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank verder terecht aangevoerd dat verzoeker geen bewijs heeft overgelegd van oplopende wettelijke rente en administratiekosten. In de verklaring van verzoekers moeder staat enkel dat verzoeker een betaalafspraak met zijn schuldeisers had gemaakt. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente en administratiekosten af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">€ 720,50 voor een geannuleerde vakantie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verzoeker</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>26. Verzoeker heeft zijn reis naar Peniscola geannuleerd vanwege financiële redenen en stress. Bovendien viel de vakantieperiode samen met de beroepstermijn (lees: bezwaartermijn) en wilde verzoeker al zijn tijd en energie besteden aan het schrijven van een beroepschrift (lees: bezwaarschrift). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>27. Naar verweerders mening dient voor verzoekers rekening en risico te komen dat hij ervoor heeft gekozen een reeds betaalde en niet-restitueerbare vakantie te annuleren. Er bestaat volgens verweerder geen enkel causaal verband tussen het besluit van 10 september 2014 en de geannuleerde vakantie. Verweerder heeft erop gewezen dat verzoeker maar liefst zes weken de tijd had om (sauverend) bezwaar aan te tekenen tegen het besluit van 10 september 2014. Verzoeker had dus voldoende gelegenheid om het besluit van 10 september 2014 aan te vechten. Er bestond in het geheel geen noodzaak om de vakantie te annuleren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>28. De rechtbank is van oordeel dat er geen rechtstreeks verband is tussen de niet-restitueerbare kosten van de geannuleerde vakantie en het besluit van 10 september 2014. Verzoeker heeft er om hem moverende redenen voor gekozen zijn reeds betaalde reis te annuleren. Met zijn besluit om niet op reis te gaan kon verzoeker zijn financiële situatie niet of nauwelijks beïnvloeden. En voor wat betreft het samenvallen met de bezwaartermijn constateert de rechtbank dat de geboekte vakantie een week duurde, terwijl de bezwaartermijn zes weken duurt. Verzoeker kon bovendien gedurende de bezwaartermijn volstaan met een zogenoemd pro-forma bezwaarschrift en later de gronden aanvullen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van verzoekers kosten voor een geannuleerde vakantie af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Een nader vast te stellen bedrag voor belastingschade</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verzoeker</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>29. Volgens verzoeker is het aannemelijk dat hij belastingschade lijdt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>30. Verweerder betwist het bestaan van belastingschade, nu deze door verzoeker niet is aangetoond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>31.1</nr>
      <para>Volgens rechtspraak van de CRvB beloopt de fiscale schade in beginsel het (positieve) verschil tussen (a) de volgens de wettelijke bepalingen verschuldigde respectievelijk in werkelijkheid geheven belasting en (b) de belasting die verschuldigd zou zijn geweest, indien de periodieke betalingen van de bedragen die verweerder aan verzoeker verschuldigd was, en de belastingheffing over die periodieke betalingen, hadden plaatsgevonden in de jaren waarop de nabetaling betrekking heeft. Indien met instemming van de fiscale autoriteiten gebruik is of kan worden gemaakt van de middeling inzake nabetaalde inkomsten, wordt in plaats van het bedrag als bedoeld onder (b) de na toepassing van deze regeling verschuldigde belasting in aanmerking genomen (c). Voor een veroordeling tot vergoeding van deze belastingschade is een concreet en onderbouwd verzoek, waarbij een uitgewerkte opgave van de beweerdelijk geleden belastingschade wordt verstrekt, een voorwaarde. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1697.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>31.2</nr>
      <para>Verzoeker heeft geen concreet en onderbouwd verzoek met een uitgewerkte opgave van de beweerdelijk geleden belastingschade gedaan. Verzoeker heeft deze schadepost in zijn verzoekschrift als ‘pro memorie’ genoteerd en ook later niet onderbouwd. Het verzoek wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">€ 100.240,- voor immateriële schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verzoeker</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>32.1</nr>
      <para>Verzoeker heeft aangevoerd dat de gang van zaken een behoorlijke impact heeft gehad op zijn leven. Hij heeft benadrukt dat hij niet meer in de adequate woning voor zijn handicap kon blijven wonen. Door de stress kreeg verzoeker lichamelijke klachten en een verminderde weerstand. Verzoeker is in het ziekenhuis diverse keren opgenomen geweest voor erysipelas (wondroos). Voor wat betreft het verstrekken van medische gegevens zal verweerder over een medisch adviseur dienen te beschikken die de medische informatie geheim moeten houden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>32.2</nr>
      <para>Ook heeft de situatie impact gehad op verzoekers relatie. Zijn partner is weer op zichzelf gaan wonen zodat zij niet meegesleurd zou worden in de financiële ellende. Tevens is volgens verzoeker sprake van gederfd vakantiegenot. Voorts is verzoeker geraakt in zijn huisrecht, omdat hij niet meer kon blijven wonen in de adequate woning voor zijn handicap. Dit is naar het oordeel van verzoeker een ernstige inbreuk op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verzoeker werd daarnaast beperkt in zijn bewegingsvrijheid door de financiële situatie. Verder had verzoeker geen energie om iets te kunnen doen. Verzoeker werd lastiggevallen door financiële instanties en heeft meerdere keren moeten uitleggen wat de reden van de verkoop van zijn woning was. Bij financiële instellingen gaan sindsdien de alarmbellen af bij het intoetsen van zijn naam. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>32.3</nr>
      <para>Voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding vergelijkt verzoeker zijn situatie met die van iemand die ten onrechte is veroordeeld voor een vrijheidsstraf. Verzoeker acht een bedrag van € 80,- per dag redelijk. Dit bedrag wordt blijkens de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken december 2017 toegekend aan schadevergoeding voor onterechte vrijheidsbeneming bij verblijf in een huis van bewaring zonder beperkingen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>33.1</nr>
      <para>Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aan het besluit van 10 september 2014 kan worden geweten dat verzoeker spanning heeft ervaren als gevolg van de financiële situatie en de verkoop van zijn woning. Ook de andere effecten die de financiële situatie en de verkoop van de woning met zich brachten op het gebied van de bewegingsvrijheid, lichamelijke klachten, familie en relatie zijn niet te wijten aan het besluit. Hoewel het ten onrechte verminderen en terugvorderen van een invaliditeitspensioen zeker een gevoel van onrechtvaardigheid met zich kan brengen, meent verweerder dat een dergelijke situatie in het geheel niet vergelijkbaar is met het ten onrechte veroordeeld zijn voor een misdrijf en het dientengevolge ondergaan van een vrijheidsstraf.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>33.2</nr>
      <para>De stelling dat bij financiële instellingen spreekwoordelijk alarmbellen zouden afgaan wanneer het dossier van verzoeker wordt ingezien, is volgens verweerder ook geen gevolg van het besluit van 10 september 2014. Verzoeker heeft een voorgeschiedenis met financiële problemen.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>33.3</nr>
      <para>Hoewel het verminderen en terugvorderen van het invaliditeitspensioen geen positieve bijdrage zal hebben geleverd aan de gezondheidstoestand van verzoeker, brengt dit niet met zich mee dat zijn gezondheidstoestand daardoor verslechterde. Verzoeker heeft zijn stelling dienaangaande ook niet onderbouwd met bewijsstukken. Verweerder heeft ten aanzien van de door verzoeker gestelde lange periode van onzekerheid opgemerkt dat verzoeker pas ruim een jaar nadat verweerder heeft aangegeven niet bereid te zijn om de verzochte schadevergoeding toe te kennen, zich tot de rechtbank heeft gewend met een verzoek om schadevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>33.4</nr>
      <para>Zou een immateriële schadevergoeding worden toegewezen, dan wijst verweerder erop dat de gevorderde bedragen onevenredig hoog zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>34.1</nr>
      <para>Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om een immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. In het licht hiervan is voor vergoeding voor immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit. Zie de uitspraak van de CRvB van 23 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2189.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>34.2</nr>
      <para>Zoals hierboven is overwogen, acht de rechtbank niet aannemelijk dat verzoeker zijn woning heeft moeten verkopen als gevolg van het besluit van 10 september 2014. Alleen al daarom kan er geen sprake zijn van een aan verweerder toe te rekenen inbreuk op artikel 8 van het EVRM, dat ziet op de bescherming van onder meer privéleven, door het besluit, laat staan van een toewijzing van het verzoek op dit punt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>34.3</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker heeft voorts niet met stukken onderbouwd dat hij door de stress lichamelijke klachten kreeg, noch dat zijn gezondheidsproblemen het gevolg waren van het besluit van 10 september 2014. Verzoeker had bij het overleggen van medische stukken aan de rechtbank een beroep kunnen doen op artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, indien hij vond dat kennisneming van die stukken door verweerder zijn persoonlijke levenssfeer onevenredig zou schaden. Verzoeker heeft daarvan echter geen gebruik gemaakt.</para>
        <para>Van de drie door verzoeker gestelde ziekenhuisopnamen heeft één bovendien plaatsgevonden na de uitspraak van de CRvB van 9 maart 2017. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker niet voldaan aan de bewijslast die op hem rust. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>34.4</nr>
      <para>Hoewel een onrechtmatige inbreuk op de bewegingsvrijheid onder omstandigheden kan worden aangemerkt als aantasting in de persoon, is niet gebleken dat daarvan sprake is geweest. Niet is gebleken dat verzoeker geen mogelijkheden van vervoer had.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>34.5</nr>
      <para>Zoals hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de kosten voor de geannuleerde vakantie niet als schade, die het rechtstreekse gevolg is van het besluit van 10 september 2014, kunnen worden beschouwd. Hoezeer de rechtbank zich ook kan indenken dat verzoeker onder zijn toenmalige omstandigheden weinig zin meer had in de reis, heeft verzoeker voorts niet onderbouwd welke ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten het gederfde vakantiegenot heeft gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>34.6</nr>
      <para>Ook voor het overige heeft verzoeker de immateriële schade onvoldoende onderbouwd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Een nader vast te stellen bedrag voor buitengerechtelijke kosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Standpunt verweerder</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>35. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij de kosten heeft gemaakt en de hoogte van de kosten niet heeft onderbouwd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>36. Verzoeker heeft op 14 september 2019 een gespecificeerd urenoverzicht betreffende de werkzaamheden van zijn gemachtigde overgelegd. Voor zover de werkzaamheden zijn gerelateerd aan deze procedure, gaat het niet om buitengerechtelijke kosten. Ook staan in dit overzicht geen kosten. Het verzoek dient dus in zoverre te worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Wettelijke rente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>37. Aangezien het verzoek om schadevergoeding is afgewezen, dient ook het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente te worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Deskundige</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>38. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>39. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. D. Biever, lid, en Commodore (tit.) b.d. mr. P.T. Heblij, militair lid, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Sloots, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>