<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:17336</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-07T11:03:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/585223/HA ZA 19-1281</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:17336">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:17336</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-07T11:02:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:17336 Rechtbank Den Haag , 03-03-2021 / C/09/585223/HA ZA 19-1281</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:17336:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>n.v.t.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:17336:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="6ca26448-8d3a-4a0a-bb25-15cd40157f60" depth="3" width="525" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9a0fad3b-cd20-4f50-8597-4c78dd734d8a" depth="24" width="9" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <emphasis role="bold" />
    </para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rolnummer: C/09/585223 / HA ZA 19-1281</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 3 maart 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>J&amp;M EUROPA VASTGOED B.V.,</title>
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="bold">[naam 1] , </emphasis></para>
      <para>beiden te [plaats 1] ,</para>
      <para>advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda, eiseressen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. <emphasis role="bold">de STAAT DER NEDERLANDEN (CENTRAAL JUSTITIEEL INCASSOBUREAU EN OPENBAAR MINISTERIE),</emphasis></para>
      <para>te Den Haag,</para>
      <para>advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag,</para>
      <para>2. <emphasis role="bold">[naam 2] ,</emphasis></para>
      <para>te [plaats 2] ,</para>
      <para>niet verschenen, </para>
      <para>gedaagden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal partijen hierna J&amp;M, [naam 1] (tezamen in vrouwelijk enkelvoud [eiseres] c.s.), de Staat en [naam 2] noemen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>de dagvaarding van 29 november 2019 met producties 1 tot en met 6; het ter rolzitting van 18 februari 2019 tegen [naam 2] verleende verstek;</para>
        <para>de conclusie van antwoord van de Staat van 8 april 2020 met producties 1 tot en met 19;</para>
        <para>het tussenvonnis van 12 augustus 2020 waarbij de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen;</para>
        <para>het proces-verbaal van de op 19 januari 2021 gehouden mondelinge behandeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [naam 1] is van 1987 tot 1992 getrouwd geweest met [naam 2] . Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren. Na haar scheiding heeft [naam 1] nog drie kinderen gekregen met [naam 2] . Deze kinderen, die zijn geboren in 1996, 1997 en 2003, dragen allen de</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>achternaam [naam 2] . [naam 1] is sinds 2002 enig bestuurder en aandeelhouder van J&amp;M.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 15 maart 2001 hebben [naam 1] en de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) voor een bedrag van fl. 875.000 voor gelijke delen een onroerende zaak aan de [adres 1] te [plaats 2] , kadastraal bekend [kadastraal nummer 1] (hierna ook: het Goirlese pand) geleverd gekregen. Op dezelfde dag is op dit pand een recht van hypotheek gevestigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In mei 2002 heeft [naam 2] voor € 32.500,- een onroerende zaak aan de [adres 2] te [plaats 3] , kadastraal bekend [kadastraal nummer 2] (hierna ook: het Haagse pand, samen met het Goirlese pand: de panden) gekocht. Op 8 november 2002 heeft hij dit pand geleverd gekregen en voor hetzelfde bedrag doorgeleverd aan J&amp;M. Op dezelfde dag is op dit pand een recht van hypotheek gevestigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De helft van [naam 3] van het Goirlese pand is in maart 2003 geveild en voor</para>
        <para>€ 235.000 verkocht aan de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ). Op 8 augustus 2003 heeft [naam 4] dit pand geleverd gekregen en voor hetzelfde bedrag doorgeleverd aan [naam 1] , die daarmee volledig eigenares van dat pand is geworden. Op 11 augustus 2003 is op dit pand wederom een recht van hypotheek gevestigd, ten gunste van de Coöperatieve Rabobank U.A.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op vordering van het Belgisch Openbaar Ministerie van 8 oktober 2003 heeft de onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, België (hierna ook: de Turnhoutse onderzoeksrechter en de Rechtbank Turnhout), een strafrechtelijk onderzoek geopend tegen onder anderen [naam 2] , [naam 1] en [naam 4] naar drugsdelicten, deelname aan een criminele organisatie en witwassen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>In het kader van dat onderzoek heeft die onderzoeksrechter op 16 april 2004 voor beide panden identieke beschikkingen tot bewarend beslag gegeven (hierna ook: de beslagbeschikkingen uit 2004), gevolgd door daarop betrekking hebbende rechtshulpverzoeken aan het Nederlandse Openbaar Ministerie (hierna: het OM). Deze beschikkingen beschrijven kort gezegd een door [naam 2] geleide organisatie die verdovende middelen in België invoerde en naar Denemarken, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk verhandelde. De onderzoeksrechter heeft daarbij onder andere het volgende vermeld:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"( ... )Dat het onderzoek heeft uitgewezen dat deze organisatie zeker actief was van begin 2002:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(...)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat deze organisatie gelieerd kan worden en gebruik gemaakt heeft van de vennootschappen hierna vermeld:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(. ..)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">5. </emphasis>
          <emphasis role="bold">[J&amp;M]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Met ingang van 28-06-2003 is </emphasis>[ [naam 1] ] <emphasis role="italic">enige aandeelhouder van </emphasis>[J&amp;M]. <emphasis role="italic">(...) (...)</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">10. HET BOS MANAGEMENT LTD</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(...) In navolging van </emphasis>[ [naam 3] ] <emphasis role="italic">en [naam 5] werd op 01-01-2004 [naam 6] bestuurder.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">( ...)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat er ook gebruik gemaakt wordt van intimidatie en bedreiging, onder meer naar</emphasis>
        </para>
        <para>[ [naam 3] ], <emphasis role="italic">en dat deze onder bedreiging akte van verrekening getekend heeft(...)."</emphasis></para>
        <para>De onderzoeksrechter gaf de volgende rechtvaardiging voor het conservatoire beslag op de panden:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">"Overwegende dat het hierna beschreven onroerend goed een uit het misdrijf verkregen vermogensdeel schijnt te vormen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(. ..)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overwegende dat </emphasis>[ [naam 1] ], <emphasis role="italic">gescheiden van </emphasis>[ [naam 2] ], <emphasis role="italic">maar altijd samengewoond hebbend en er na de scheiding nog 2 kinderen uit de samenwoonst geboren zijn; Overwegende dat </emphasis>[ [naam 2] ] <emphasis role="italic">de laatste 5 jaren geen inkomsten in België en Nederland heeft gedeclareerd; dat inmiddels diverse eigendommen verworven werden op naam van </emphasis>[ [naam 1] ];</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gelet op de aangifte van inkomstenbelasting van </emphasis>[ [naam 1] ]:</para>
        <para>- <emphasis role="italic">Zij.is sinds 28 juni 2003 enig aandeelhouder van </emphasis>[J&amp;M); <emphasis role="italic">door of namens deze BV is (nog) nimmer een aangifte vennootschapsbelasting ingediend;</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">Overzicht aangiften inkomstenbelasting [naam 1] :</emphasis></para>
      </parablock>
      <informaltable>
        <tgroup cols="5">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <colspec colname="colE" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Jaar</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Loon</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Waarde</emphasis>
                </para>
                <para>
                  <emphasis role="italic">bezittingen</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Waarde effecten</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Schulden</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">1999</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">N[LJG 11.798</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">NLG 150.000</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">0</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">0</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">2000</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">0</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">NLG 120.000</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">NLG 120.763</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">NLG 154.400</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">2001</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">NLG 7.691</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">NLG200.000</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">NLG 130.632</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">NLG146.700</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">2002</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Onbekend</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Onbekend</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Onbekend</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Onbekend</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">2003</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">34.666</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Onbekend</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Onbekend</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="italic">Onbekend</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inkomsten van 2003 genoot zij als directeur van het bos management Ltd te Goirle;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zij ontvangt </emphasis>
          <emphasis role="italic">o.a. huur voor [adres 1] te [plaats 2] en [adres 3] te [plaats 4] (woning [naam 4] ). De waarde van dit onroerend goed is niet (geheel) opgenomen in de hierboven genoemde waarde van bezittingen."</emphasis>
        </para>
        <para>De onderzoeksrechter heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van de organisatie geschat op € 39,6 miljoen. De onderzoeksrechter besloot:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"Overwegende dat het pand onmiddellijk of middellijk, afkomstig is uit de misdrijven waarvan het wederrechtelijk verkregen vermogen kan worden ontnomen en er voldoende aanwijzingen bestaan dat het pand aan de ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen en die ander redelijkerwijs wist of kon vermoeden dat het pand van misdrijf afkomstig was;"</emphasis>
        </para>
        <para>In het geval van het Goirlese pand heeft de onderzoeksrechter daar aan toegevoegd dat [naam 1] dat pand voor·€ 433.529,- had gekocht en in het geval van het Haagse pand dat dat pand eigendom is van J&amp;M, waarvan [naam 1] sinds 28 juni 2003 enig aandeelhoudster is.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Op 21 april 2004 heeft het OM onder verwijzing naar dat rechtshulpverzoek en naar de artikelen 94a en 103 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gevorderd dat de rechter-commissaris een machtiging zou verlenen tot het leggen van dat beslag. De rechter­ commissaris in de Rechtbank Breda heeft die machtiging (hierna ook: de machtiging tot beslag uit 2004) op dezelfde dag verleend, tot een maximum van € 39,6 miljoen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Dat conservatoir beslag is op 22 april 2004 op de panden gelegd en de volgende dag zijn de beslagmachtiging en de betrokken processen-verbaal van beslag betekend aan [naam 2] en [eiseres] c.s. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Onder anderen [naam 2] , [naam 4] en [naam 1] zijn vervolgd voor de Rechtbank Turnhout, alle drie voor het leiding geven aan een criminele organisatie en [naam 2] en [naam 4] ook voor drugsdelicten. In het geval van [naam 1] had de Turnhoutse</para>
      <parablock>
        <para>onderzoeksrechter een eerdere verdenking van eenvoudig lidmaatschap van een criminele organisatie als volgt beschreven:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"door onroerende goederen op haar naam te laten registreren, welke verworven werden met</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">inkomsten van handel in verdovende middelen en dit zowel als eigenares en als mede-eigenares van o.m.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(. ..)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">d. te [plaats 2] , [adres 1] (verworven op 8 augustus 2003)."</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij vonnis van 8 juli 2005 heeft de Rechtbank Turnhout onder anderen: [naam 2] wegens drugsdelicten en leiding geven aan een criminele organisatie veroordeeld tot onder andere een geldboete van € 110.000,-;</para>
        <para>
          [naam 4] veroordeeld wegens dezelfde misdrijven;</para>
        <para>
          [naam 1] vrijgesproken van het leiding geven aan een criminele organisatie; en voor alle verdachten de gevorderde verbeurdverklaring van het uit deze misdrijven verkregen voordeel afgewezen.</para>
        <para>De vrijspraak van [naam 1] motiveerde de rechtbank onder andere als volgt: <emphasis role="italic">"Overwegende dat waar de Rechtbank hic et nunc niet gevat werd voor "witwassen" thans niet ter beoordeling voorligt of beklaagde kwestieuze panden inderdaad met inkomen uit de handel van verdovende middelen op haar naam liet registreren."</emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Bij arrest van 2 december 2010 (hierna: het arrest van 2 december 2010) heeft het Hof van Beroep te Antwerpen dat vonnis met betrekking tot [naam 2] bevestigd en aangevuld met de verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel van € 10 miljoen.	</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Op enig moment hebben de Belgische autoriteiten voor de tenuitvoerlegging van die ontnemingsmaatregel een rechtshulpverzoek gedaan aan de Nederlandse autoriteiten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Op 19 augustus 2019 heeft het OM krachtens artikel 574 (oud) Sven.onder aanhaling van het arrest van 2 december 2010 een kennisgeving (hierna ook: de kennisgeving uit 2019) gedaan van de daarin opgelegde ontnemingsmaatregel en aangekondigd dat deze ten uitvoer zou worden gelegd door verhaal op de krachtens artikel 94a Sv conservatoir beslagen voorwerpen. Op 21 augustus 2019 heeft het OM die kennisgeving laten betekenen aan [naam 2] en [eiseres] c.s.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Op 3 september 2019 heeft (de raadsman van) J&amp;M (de deurwaarder van) het OM gevraagd om toezending van het arrest van 2 december 2010 en rechtsmaatregelen aangekondigd in geval het beslag op het Haagse pand niet binnen vijf dagen zou zijn opgeheven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 30 september heeft het Centraal Justitieel Incassobureau aan (de raadsman van) J&amp;M afschriften gestuurd van het exploot van 23 april 2004 met de afschriften van de beslagmachtiging en de processen-verbaal van conservatoir beslag (zie hiervoor onder 2.8.) en medegedeeld dat het niet het arrest van 2 december 2010 zou sturen en geen reden zag voor het opheffen van het beslag.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] c.s. vordert, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. voor recht zal verklaren dat de door de Staat op 22 april 2004 op de panden gelegde conservatoire beslagen niet voldoen aan de in artikel 94a leden 3 en 4 Sv gestelde cumulatieve eisen;</para>
        <para>Il. de door de Staat op de panden gelegde beslagen zal opheffen, althans de Staat zal veroordelen tot het (doen) opheffen of doorhalen van die beslagen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom; en</para>
        <para>III. de Staat zal verbieden de executie van de panden voort te zetten; met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Aan die vorderingen legt [eiseres] c.s. het volgende ten grondslag. Ten tijde van de beslaglegging (in 2004) werd niet voldaan aan de" vereisten van het destijds geldende artikel 94a leden 3 en 4 Sv. [naam 2] is namelijk vervolgd voor handel in verdovende middelen in de periode tussen l september 2003 en 21 april 2004, terwijl [eiseres] c.s. al voor het begin van die periode eigenares was van de panden. Hierdoor kan onmogelijk zijn voldaan aan het vereiste van het derde lid van die bepaling dat de beslagen voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig moeten zijn van het misdrijf in verband waarmee een geldboete kan worden opgelegd dan wel het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen (hierna: het afkomstvereiste). Er wordt evenmin voldaan aan de destijds geldende vereisten van het derde lid van die bepaling onder b. en c., omdat er geen aanwijzingen zijn dat de panden aan [eiseres] c.s. zijn gaan toebehoren met het doel uitwinning van een boete of ontnemingsmaatregel te frustreren en dat [eiseres] c.s. ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijs kon weten dat de panden van enig misdrijf afkomstig waren. De Staat wil zich dus ten onrechte verhalen op de panden van [eiseres] c.s. Ook ligt in deze zaak geen uitspraak van de Nederlandse strafrechter voor en kan de kennisgeving uit 2019 niet worden herleid tot het strafonderzoek in het kader waarvan in 2004 conservatoir beslag is gelegd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [eiseres] c.s. heeft [naam 2] medegedagvaard in verband met het bepaalde in artikel 438 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen en tot veroordeling van [eiseres] c.s. (hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad) in de proceskosten, met wettelijke rente vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis.	</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De Staat voert aan dat [eiseres] c.s. geen belang heeft bij Vordering I omdat de conservatoire beslagen, door betekening op 21 augustus 2019 van de kennisgeving van twee dagen eerder, krachtens de artikelen 574 (oud) Sven 704 lid I Rv zijn overgegaan in executoriale beslagen. Daarnaast is [eiseres] c.s. niet-ontvankelijk in deze vordering, omdat tegen de conservatoire beslagen tot drie maanden na het arrest van 2 december 2010 de met voldoende waarborgen omklede beklagprocedure van artikel 552a Sv heeft opengestaan en [eiseres] c.s. daar geen gebruik van heeft gemaakt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de Vorderingen II en III betoogt de Staat dat de geldigheid van een proceshandeling moet worden beoordeeld naar het op het moment van die handeling geldende recht. Daardoor moet voor de geldigheid van de betekening uit 2019, die de proceshandeling is waarmee de conservatoire beslagen zijn overgegaan in executoriale beslagen, worden gekeken naar artikel 94a Sv zoals het gold op 21 augustus 2019. Toen golden slechts als vereisten de verhaalsfrustratie en de geobjectiveerde wetenschap van die frustratie, en er zijn voldoende aanwijzingen dat aan beide vereisten is voldaan.	</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal de Vorderingen II en III om de volgende redenen toewijzen. Zij zal hierna onder 4.21. ingaan op Vordering 1.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het strafvorderlijk conservatoir beslag is geregeld in artikel 94a Sv.<superscript>1</superscript> Die bepaling luidde bij het leggen van de conservatoire beslagen op 22 april 2004, voor zover relevant, als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"2. In geval van verdenking van (...) een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot</emphasis> <emphasis role="italic">betaling van een geldbedrag aan de staat ter onfl}eming \!an wederrechtelijk verkregen voordeel.</emphasis></para>
        <para>3. <emphasis role="italic">Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie (...) het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien:</emphasis></para>
        <para>a. <emphasis role="italic">die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee (. ..) het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, en</emphasis></para>
        <para>b. <emphasis role="italic">voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen aan die ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en</emphasis></para>
        <para>c. <emphasis role="italic">die ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.</emphasis></para>
        <para>4. <emphasis role="italic">In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen.</emphasis></para>
        <para>Het in lid 3 geregelde beslag wordt aangeduid als "anderbeslag".</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij het betekenen van de kennisgeving van tenuitvoerlegging op 21 augustus 2019 luidde artikel 94a Sv, voor zover relevant, als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een.misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen </emphasis>
          <emphasis role="italic">verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">( ...)</emphasis>
        </para>
        <para>4. <emphasis role="italic">Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie (...) het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, (...) kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <superscript>1 </superscript>Deze bepaling was in 2004 krachtens artikel 552klid 1 (oud) Sven het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (Straatsburg, 8 november 1990, i.w.tr. voor Nederland op 1 september 1993, <emphasis role="italic">Trb. </emphasis>1990, 172) mede van toepassing op rechtshulpverzoeken uit België tot het nemen van voorlopige maatregelen vooruitlopend op de confiscatie van de opbrengsten van misdrijven.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>5. <emphasis role="italic">In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan·de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het·vierde lid bedoelde voorwerpen."</emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Het strafvorderlijk verhaal op conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen was op 21 augustus 2019 geregeld in artikel 574 (oud) Sv.<superscript>2</superscript> Artikel 574 lid 1 (oud) Sv bepaalde destijds, voor zover relevant:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"Op voorwerpen, inbeslaggenomen op grond van artikel 94a, geschiedt het verhaal op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering krachtens het onherroepelijke vonnis of arrest (. ..) waarbij de (...) de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het "Wetboek van Strafrecht (. ..) is opgelegd."</emphasis>
        </para>
        <para>Artikel 704 lid 1 Rv, waar deze bepaling mede naar verwees, bepaalde:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"Zodra de beslaglegger in de hoofdzaak een executoriale titel heeft verkregen en deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, gaat het conservatoir beslag over in een executoriaal beslag, mits de verkregen titel aan de beslagene en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze is betekend."</emphasis>
        </para>
        <para>Artikel 574 lid 2 (oud) Sv bepaalde vervolgens met betrekking tot deze betekening dat deze titel bij een strafvorderlijk verhaal het vonnis of arrest is, waarvan sprake is in het eerste lid, en verder:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"Betekening van deze titel aan de veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een kennisgeving inhoudende de bij het vonnis of arrest dan wel de strafbeschikking opgelegde straf, voor zover voor het nemen van verhaal van belang."</emphasis>
        </para>
        <para>Artikel 574 lid 3 (oud) Sv bepaalde ten slotte:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing."</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De toets aan de voorwaarden van de artikelen 574 (oud) en 94a Sv</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 574 lid 3 (oud) Sv gelezen in samenhang met artikel 438 Rv wijst de burgerlijke rechter aan als de bevoegde rechter voor verzet door anderen dan de verdachte of veroordeelde tegen het strafvorderlijk verhaal op eerder krachtens artikel 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen. Nu [eiseres] c.s. geen verdachte of veroordeelde is maar het verhaal wel haar panden betreft, is [eiseres] c.s. ontvankelijk in haar Vorderingen Il en</para>
        <para>III. Tijdens de duur van het krachtens artikel 94a Sv gelegde conservatoir beslag heeft met de. beklagprocedure van artikel 552a Sv tot drie maanden na het arrest van 2 december 2010 een afzonderlijke, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang opengestaan die maakte dat de burgerlijke rechter, als restrechter, in die periode van de rechtmatigheid van dat conservatoir beslag had uit te gaan. Bij de toepassing van artikel 574 (oud) Sv geldt dat echter niet en moet de executierechter vol toetsen of is voldaan aan de voorwaarden van die bepaling.<superscript>3 </superscript>Omdat de executierechter daarbij niet is gebonden aan een eventuele uitspraak van de beklagrechter</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <superscript>2</superscript> Deze bepaling is sindsdien ongewijzigd hernummerd in artikel 6:4:4 Sv. Zij was op grond van artikel 6 lid 1 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie en artikel 577b lid 1 Sv mede van toepassing op de tenuitvoerlegging van een confiscatiebeslissing uit een andere lidstaat van de EU.</para>
        <para>
          <superscript>3</superscript> A.L. Melai en M.S. Groenhuijsen (red.), <emphasis role="italic">Commentaar op het Wetboek van Strafvordering,</emphasis></para>
        <para>commentaar_bij artikel 574 Sv, aant. 5.3.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>krachtens artikel 552a Sv, kan daarbij in het midden blijven of [eiseres] c.s. van die procedure gebruik heeft gemaakt en wat de beklagrechter in dat geval zou hebben geoordeeld. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan het daarop betrekking hebbende bewijsaanbod van [eiseres] c.s.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De eerste bestreden verhaalshandeling van de Staat is de betekening van 21 augustus 2019. Omdat strafvorderlijke handelingen naar vaste rechtspraak moeten worden beoordeeld naar het ten tijde van die handelingen geldende recht, moet die betekening worden beoordeeld in het licht van artikel 574 (oud) Sv zoals het op die dag gold. Het eerste lid van die bepaling verwees destijds naar <emphasis role="italic">"voorwerpen, inbeslaggenomen op grond van artikel 94a". </emphasis>Op grond van dezelfde regel legt de rechtbank die verwijzing met de Staat in die zin uit, dat de executierechter niet moet beoordelen of het betrokken conservatoir beslag aan de vereisten van artikel 94a Sv voldeed <emphasis role="italic">toen het werd gelegd, </emphasis>maar dat hij moet beoordelen of daaraan was voldaan <emphasis role="italic">op het moment van betekening van de uit te voeren strafuitspraak. </emphasis>Daarvoor is eveneens redengevend dat artikel 575 (oud) Sv, dat destijds vo9rzag in de wijze van verhaal op voorwerpen die niet conservatoir in beslag waren genomen, eveneens voorzag in verhaal op voorwerpen als bedoeld in artikel 94a leden 3 en 4 Sv, waardoor de wetgever voor die parallelle verhaalssituatie heeft geregeld dat de vereisten van artikel 94a Sv werden toegepast zoals zij golden op het moment van verhaal. Met de hiervoor beschreven uitleg kunnen deze twee parallelle verhaalsbepalingen met dezelfde vereisten worden toegepast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>In 2004 gold nog het vereiste dat de betrokken voorwerpen afkomstig moeten zijn uit het misdrijf in verband waannee het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen (zie hiervoor onder 4.2, artikel 94a lid 3 onder a (oud) Sv), maar in 2019 niet meer. De rechtbank moet dus alleen beoordelen of in deze zaak is voldaan aan de vereisten van verhaalsfrustratie en van de op die frustratie betrekking hebbende wetenschap, zoals die in 2019 golden. Zij zal daarom voorbijgaan aan de stellingen van partijen met betrekking tot het afkomstvereiste. Met betrekking tot de twee wel geldende vereisten geldt het volgende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Uit de tekst van artikel 94a Sv volgt dat deze vereisten cumulatief zijn.<superscript>4</superscript></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Omdat de Staat zich met een beroep op artikel 574 (oud) Sv wil verhalen op de panden, die onbetwist eigendom zijn van [eiseres] c.s., rust op hem de bewijslast met betrekking tot het voldaan zijn aan deze vereisten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Met betrekking tot het vereiste van verhaalsfrustratie geldt dat het anderbeslag is ingevoerd om schijnconstructies tegen te gaan waarbij bepaalde voorwerpen worden verbonden aan een rechthebbende die een ander is dan de bij de ontneming betrokkene, met het doel de uitwinning van die voorwerpen te voorkomen.<emphasis role="italic"><superscript>5</superscript> </emphasis>Als dat doel van verhaalsfrustratie niet rechtstreeks blijkt uit een mededeling van betrokkene of de ander, zal het afgeleid kunnen worden uit omstandigheden van het geval die een redelijk vennoeden opleveren. Daarbij valt te denken aan het gaan toebehoren van het voorwerp aan de ander zonder dat daarbij sprake is van een reële economische transactie of een redelijk economisch motief, of aan de situatie waarin de bij de ontneming betrokkene over het voorwerp dat aan de ander is gaan toebehoren blijft beschikken alsof het van hem is.<superscript>6</superscript></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <superscript>4</superscript> HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7675, r.o. 3.5.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            <superscript>5</superscript> Kamerstukken II, </emphasis>2001-2002, 28 079, nr. 3, MvT, onder 6.</para>
        <para>
          <superscript>6</superscript> Zie op dezelfde plek.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot het vereiste van wetenschap van verhaalsfrustratie geldt dat het is ingevoerd om de derde te goeder trouw te bescbermen.<superscript>7</superscript> Het vermogensrechtelijk uitgangspunt dat derden met hun vermogen niet aansprakelijk zijn voor een vordering op de</para>
        <para>verdachte of veroordeelde en de bescherming van artikel 1 lid 1 Protocol 1 bij het.EVRM</para>
        <para>vereisen beide dat het vereiste van wetenschap van verhaalsfrustratie op zorgvuldige wijze wordt toegepast.<superscript>8</superscript> Hoewel dit vereiste in het op 21 augustus 2019 geldende artikel-94a lid 3 Sv, anders dan daarvoor, niet werd ingeleid met de woorden <emphasis role="italic">"ten tijde van dat gaan toebehoren", </emphasis>volgt uit de context van dat vereiste binnen dat derde lid dat het ook in dat latere geldende artikel moet worden toegepast naar de stand van het moment waarop de panden aan [eiseres] c.s. zijn gaan toebehoren.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het vereiste van wetenschap van verhaalsfrustratie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet aanleiding te beginnen met het vereiste van wetenschap van verhaalsfrustratie. Met betrekking tot dit vereiste heeft de Staat het volgende gesteld, deels in het verlengde van zijn stellingen met betrekking tot de verhaalsfrustratie zelf..</para>
        <para>
          [eiseres] c.s. heeft de panden <emphasis role="underline">met andermans (illegale} vermogen verworven.</emphasis> Na de scheiding van [naam 2] zijn vijf onroerende goederen op haar naam gezet, waaronder de panden, terwijl uit onderzoek van het Belgisch Openbaar Ministerie is gebleken dat zij niet over voldoende (legaal) inkomen en vermogen beschikte om dat te kunnen financieren.</para>
        <para>
          [eiseres] c.s. heeft de panden steeds <emphasis role="underline">verworven</emphasis> van een <emphasis role="underline">lid van de </emphasis>criminele <emphasis role="underline">organisatie:</emphasis></para>
        <para>(i) [naam 1] het Goirlese pand in 2001 eerst samen met [naam 3] heeft verworven;</para>
        <para>(ii) de tweede helft van dat pand in 2003 op één en dezelfde dag aan [naam 4]</para>
        <para>is geleverd en door deze zonder winst is doorgeleverd aan [naam 1] ; en</para>
        <para>(iii) het Haagse pand in 2002 op één en dezelfde dag aan [naam 2] is geleverd en door deze zonder winst is doorgeleverd aan J&amp;M.</para>
        <para>Bij overdrachten zonder economisch motief is sprake van een vermoeden van verhaalsfrustratie.</para>
        <para>Daar komt bij dat [eiseres] c.s. destijds een <emphasis role="underline">affectieve relatie </emphasis>had met [naam 2] , waardoor zij zal hebben geweten van zijn criminele activiteiten, temeer die mede werden georganiseerd vanuit het Goirlese pand, waar [naam 1] destijds stond ingeschreven. In verband met het vereiste van verhaalsfrustratie had de Staat daarover aangevoerd dat [naam 1] na haar scheiding nog drie kinderen met [naam 2] heeft gekregen, waarvan de laatste in 2003 is geboren, en dat deze allen de achternaam van [naam 2] dragen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staat hiermee zijn stellingen met betrekking tot het zorgvuldig toe te passen vereiste van wetenschap van verhaalsfrustratie onvoldoende toegelicht.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <superscript>7</superscript>Zie op dezelfde plek en, bij het verval van het afkomstvereiste en de aanpassing van het vereiste van wetenschap van verhaalsfrustratie zodat het betrekking heeft op het oogmerk van verhaalsfrustratie, <emphasis role="italic">Kamerstukken II, </emphasis>2009-2010, 32 194, nr."3, MvT, onder 5.4.</para>
        <para>
          <superscript>8</superscript> Zie de tweede in de vorige noot aangehaalde memorie van toelichting.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Wat haar <emphasis role="underline">financiële middelen </emphasis>betreft heeft [eiseres] c.s. aangevoerd dat [naam 1] op haar achttiende verjaardag, dat wil zeggen in 1985, van haar vader een startkapitaal van fl. 25.000,- heeft gekregen, en op haar eenentwintigste verjaardag nog een keer een dergelijk bedrag. Dat kapitaal heeft zij geïnvesteerd in vastgoed, waardoor zij al heel lang in het vastgoed actief is en steeds meer panden heeft kunnen aanschaffen. Uit de hypothecaire inschrijvingen in de uittreksels uit het kadaster met betrekking tot de panden blijkt dat [eiseres] c.s. de aankoop van die panden heeft gefinancierd met hypothecaire leningen van banken die daarvoor haar inkomen en vermogen hebben doorgelicht en groen licht hebben gegeven. De banken vonden haar daarom goed voor haar geld. De betrokken leningen lost zij steeds af met de huur die zij uit de panden ontvangt, aidus nog steeds [eiseres] c.s. De Staat heeft hier alleen op gereageerd met de stelling dat er ook andere aanwijzingen waren voor het voldaan zijn aan het vereiste van verhaalsfrustratie dan betaling van de panden met de middelen van anderen. Daarmee heeft hij niet de toelichting van [eiseres] c.s. bij haar financiële middelen weersproken, waardoor het argument met betrekking tot het financieren met andermans vermogen wegvalt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>De Staat heeft niet toegelicht waarom [naam 1] bij de verwerving van het <emphasis role="underline">Goirlese pand</emphasis> wist of had moeten weten dat zij te maken had met leden van een criminele organisatie. [naam 1] heeft dat pand eerst voor de helft verworven op 15 maart 2001, samen met [naam 3] . De Staat heeft niet toegelicht wie de verkoper was, en [naam 3] wordt in de beslagbeschikkingen uit 2004 niet genoemd als lid van de criminele organisatie, maar als iemand die door die organisatie werd geïntimideerd en bedreigd. De beslagbeschikkingen lichten echter niet toe of daar in 2001 al sprake van was en de Staat heeft, anders dan door te verwijzen naar de affectieve relatie met [naam 2] , niet toegelicht waarom en wanneer [naam 1] op de hoogte had moeten zijn van de intimidatie en bedreiging van [naam 3] en waarom zij daaruit had moeten concluderen dat sprake was van verhaalsfrustratie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>De andere helft van dat pand heeft [naam 1] op 11 augustus 2003 verworven van [naam 4] . De Staat heeft ook in dit verband verwezen naar de affectieve relatie van [naam 1] met [naam 2] , maar heeft nagelaten nader toe te lichten waarom en wanneer [naam 1] had moeten weten dat [naam 4] lid was van de criminele organisatie. [naam 4] wordt als lid van die organisatie genoemd in de beslagbeschikkingen uit 2014, maar deze zijn van latere datum dan de verwerving en de Staat heeft ook niet aangevoerd dat deze aan [naam 1] zijn betekend. Ook heeft de Staat niet gesteld dat [naam 1] wist dat [naam 4] geen winst heeft gemaakt toen hij haar die tweede helft heeft doorgeleverd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Met betrekking tot de verwerving van het <emphasis role="underline">Haagse pand</emphasis> op 8 november 2002 heeft de Staat niet gesteld dat [naam 1] , en dus ook J&amp;M, op die datum wisten dat [naam 2] geen winst heeft gemaakt bij het doorleveren van dat pand. Ook heeft de Staat niet toegelicht waarom het door hem aangevoerde vermoeden van verhaalsfrustratie bij transacties zonder redelijk economisch motief ook zou moeten opgaan bij transacties tussen gewezen echtelieden met gemeenschappelijke kinderen, althans, zoals hier, tussen een persoon en de vennootschap waarvan zijn voormalige echtgenote enig bestuurder en aandeelhouder is. De Staat heeft daarom niet toegelicht waarom [eiseres] c.s. alert had moeten zijn op de aard van die transactie zonder winst bij [naam 2] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Wat de <emphasis role="underline">affectieve relatie</emphasis> betreft heeft [eiseres] c.s. tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [naam 1] en [naam 2] na hun scheiding meermaals hebben geprobeerd er iets van te maken. In 2003, toen hun jongste kind werd verwekt, hadden zij weliswaar een affectieve relatie, maar [naam 2] was ook heel vaak niet in haar leven en in dat</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>van hun kinderen. En ook in de perioden dat zij wel een affectieve relatie hadden, betekende dat niet dat zij in detail van zijn criminele activiteiten afwist. Hij kwam dan soms even langs, maar hij was net zo snel weer weg. Zij heeft haar zakelijke activiteiten altijd apart gehouden van die van [naam 2] , aldus nog steeds [eiseres] c.s. De Staat heeft hier alleen op gereageerd met de algemene stelling dat men in een affectieve relatie weet van elkaars handel en wandel. In het licht van de specifieke betwisting door [eiseres] c.s. is deze stelling onvoldoende.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Staat met betrekking tot het <emphasis role="underline">begin van de betrokken criminele activiteiten </emphasis>aangevoerd dat de Rechtbank Turnhout op p. 33 van haar vonnis van 8 juli 2005 heeft geoordeeld dat de vervolgingsperiode weliswaar was beperkt tot 1 september 2003 tot 21 april 2004, maar dat <emphasis role="italic">"uit het onderzoek </emphasis>[was gebleken] <emphasis role="italic">dat de organisatie al langere tijd en ononderbroken, met criminele activiteiten aan de gang was en dan vooral in het milieu van de verdovende middelen". </emphasis>Ook hier geldt echter dat de Staat niet heeft toegelicht waarom [eiseres] c.s. dat op de hiervoor genoemde leveringsdata moest weten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande heeft de Staat onvoldoende onderbouwd dat hier is voldaan aan het vereiste van wetenschap van verhaalsfrustratie. Reeds daarop strandt de stelling van de Staat dat bij zich op grond van de ontnemingsmaatregel jegens [naam 2] kan verhalen op de panden van [eiseres] c.s. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het vereiste van verhaalsfrustratie. Zij gaat daarom voorbij aan de (overige) stellingen van partijen over dat vereiste. Om dezelfde reden kan in het midden blijven of, zoals [eiseres] c.s. bestrijdt, het arrest van 2 december 2010 als buitenlandse uitspraak kan dienen als titel voor dat verhaal en of datzelfde arrest te herleiden is tot het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan de Turnhoutse onderzoeksrechter in 2004 heeft verzocht om conservatoir beslag.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vordering, dwangsom en uitvoerbaarheid bij voorraad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] c.s. toegelicht dat zij belang heeft bij de verklaring voor recht die zij onder I heeft gevraagd omdat de conservatoire beslagen uit 2004 een noodzakelijke voorwaarde zijn voor het door overgang kunnen ontstaan van de bestreden executoriale beslagen. De rechtbank zal deze verklaring voor recht afwijzen omdat [eiseres] c.s. hiermee geen belang heeft aangevoerd dat losstaat van dat van haar Vorderingen Il en III, die de rechtbank zal toewijzen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>De Staat heeft er op gewezen dat hij gerechtelijke uitspraken pleegt na te komen. De rechtbank heeft geen aanleiding om die toezegging in twijfel te trekken en zal de gevorderde verzwaring van Vordering II met een dwangsom daarom afwijzen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <parablock>
        <para>De Staat heeft de rechtbank verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat hij belang heeft bij handhaving van het executoriaal beslag, dat dient tot verhaal van de aan [naam 2] opgelegde ontnemingsmaatregel, en omdat dat belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan dat van [eiseres] c.s. bij uitvoerbaarheid bij voorraad. De rechtbank vat dit betoog aldus op dat het alleen betrekking heeft op Vordering Il. Bij Vordering III gaat het immers niet meer om behoud van de bestaande toestand maar om het vermijden dat de Staat de executie van de panden voortzet. De rechtbank zal de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van Vordering Il afwijzen omdat [eiseres] c.s. geen zwaarwegend belang heeft aangevoerd dat maakt dat zij een hoger beroep niet kan afwachten, zoals bijvoorbeeld dat zij de panden snel moet kunnen verkopen. Om de Staat een redelijke termijn te</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>geven voor het instellen van hoger beroep zal de rechtbank de in Vordering II gevraagde termijn voor het opheffen van de beslagen stellen op twee weken na betekening van dit vonnis.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank Vordering I zal afwijzen en de Vorderingen II en III zal toewijzen zoals hierna bepaald. Bij deze uitkomst hoort dat de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, uitvoerbaar bij voorraad zoals [eiseres] c.s. heeft gevorderd. De rechtbank zal het salaris van de advocaat vaststellen op € 1.126,-, gebaseerd op twee punten in de tariefklasse II. [naam 2] zal niet in de kosten worden veroordeeld, omdat deze procedure niet door hem is veroorzaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt de Staat tot het binnen twee weken na betekening van dit vonnis (doen) opheffen of doorhalen van de executoriale beslagen die hij heeft laten leggen op de onroerende zaken aan de [adres 1] te [plaats 2] , kadastraal bekend [kadastraal nummer 1] en aan de [adres 2] te [plaats 3] , kadastraal bekend [kadastraal nummer 2] ;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>verbiedt de Staat de executie van deze onroerende zaken voort te zetten;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres]</para>
        <para>c.s. tot vandaag vastgesteld op € 656 aan griffierecht en € 1.126,- aan salaris advocaat;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat het executieverbod en de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.H. Speyart van Woerden en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2021 door mr. D. Nobel, rolrechter.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>:,. </para>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>