<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:17323</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-14T15:47:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9215558 \ RL EXPL 21-8123</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verstek">Verstek</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:17323">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:17323</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-14T15:46:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:17323 Rechtbank Den Haag , 26-05-2021 / 9215558 \ RL EXPL 21-8123</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:17323:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verstek</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:17323:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>K.C. Tsang</para>
    <para>Grosse afgegeven aan eisende partij op</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Rechtbank Den Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats ’s-Gravenhage</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rolnr.: 9215558 \ RL EXPL 21-8123</para>
      <para>Extern kenmerk: 26244739</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Netpoint Factoring B.V. te Kaatsheuvel,eisende partij,gemachtigde GGN Mastering Credit B.V.,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [gedaagde] te [woonplaats] ,<?linebreak?>gedaagde partij.<?linebreak?></bridgehead>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Het procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Eisende partij heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding van 28 april 2021 waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.</para>
      <para>Gedaagde partij is daarop niet verschenen en heeft ook anderszins niet gereageerd. De voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen. Tegen gedaagde partij is daarom verstek verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het geschil</title>
    <para>De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze bij verstek wordt toegewezen als hierna te vermelden. Gedaagde partij is consument. Eisende partij vordert de overeengekomen rente van 1% per maand vanaf de verzuimdatum. Daarbij doet zij een beroep op de algemene voorwaarden. De kantonrechter dient op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C 243/08) en de Hoge Raad (13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691) ambtshalve te beoordelen of sprake is van een oneerlijk beding. Als uitgangspunt dient te worden gehanteerd dat een contractuele rente hoger dan de actuele wettelijke handelsrente in beginsel als oneerlijk wordt beschouwd. In het onderhavige geval is sprake van een rente die ruim boven de wettelijke handelsrente ligt. Het is aan eisende partij om bij dagvaarding toe te lichten waarom een dergelijke rente in het onderhavige geval niet onredelijk bezwarend zou zijn. Eisende partij heeft hierop echter in het geheel geen toelichting gegeven. Daarmee heeft eisende partij het vermoeden dat er sprake is van een onevenredige hoge schadevergoeding niet weerlegd. Dit leidt ertoe dat kantonrechter ambtshalve over zal gaan tot vernietiging van het beding in de algemene voorwaarden waar eisende partij zich met betrekking tot de contractuele rente op beroept. De primair gevorderde contractuele rente zal daarom ook worden afgewezen. Subsidiair vordert eisende partij de wettelijke rente. Deze vordering is als op de wet gegrond toewijsbaar.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para>De kantonrechter,</para>
    <para />
    <para>1. veroordeelt gedaagde partij om tegen bewijs van kwijting aan de eisende partij te betalen de som van € 430,92 vermeerderd met de wettelijke rente over € 423,20 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der voldoening;</para>
    <para />
    <para>2. veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding, tot hiertoe aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op € 290,44, waaronder € 75,00 als vergoeding voor de gemachtigde van de eisende partij;</para>
    <para />
    <para>3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    <para />
    <para>4. wijst af het meer of anders gevorderde. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. Vink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier,	de kantonrechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Voor grosse</para>
    <para> Afgegeven aan en ten verzoeke van</para>
    <para>eisende partij.</para>
    <para>De Griffier van de rechtbank Den Haag,</para>
    <para>Zittingsplaats ’s-Gravenhage</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>