<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:17013</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-29T13:44:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.11922</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:17013">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:17013</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-29T13:43:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:17013 Rechtbank Den Haag , 23-12-2021 / NL21.11922</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:17013:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vaststelling geen rechtmatig verblijf o.g.v het Unierecht. Vertrektermijn van artikel 62 Vw terecht uitgelegd. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:17013:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.11922</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1986, van Poolse nationaliteit, eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: H. Remerie).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 18 januari 2021 (primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 30 juni 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.11923, op 22 november 2021 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Griffierecht </emphasis>
    </para>
    <para>1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Ter onderbouwing </para>
    <para>heeft eiser een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij geen inkomen en vermogen heeft. Gelet hierop wijst de rechtbank het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Poolse nationaliteit. Eiser heeft op</para>
    <parablock>
      <para>grond van de Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn) geen verblijfsvergunning nodig, maar kan onder bepaalde voorwaarden op grond van zijn Unielidmaatschap rechtmatig in Nederland verblijven.  <?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestreden besluit </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en Nederland</para>
    <para>binnen 28 dagen moet verlaten. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat er voor de politie aanwijzingen waren om de persoonlijke situatie van eiser te onderzoeken. Eiser leidt namelijk een zwervend bestaan, veroorzaakt overlast en is meerdere keren staande gehouden. Verweerder heeft op basis van het onderzoek vastgesteld dat eiser niet (meer) voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf zoals bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Verweerder heeft daarbij van belang geacht dat niet is gebleken of aangetoond dat eiser werkzaam is als werknemer of zelfstandige. Evenmin is aangetoond dat eiser beschikt over een ziektekostenverzekering en voldoende middelen van bestaan om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats en verblijft eiser bij een daklozenopvang. Verder heeft verweerder de belangenafweging die moet worden gemaakt omdat er sprake is van een verwijderingsmaatregel in het nadeel van eiser laten uitvallen. Ten slotte is er volgens verweerder geen sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rechtmatig verblijf  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser</para>
    <para>geen reële kans op arbeid heeft. Eiser heeft in Nederland gewerkt van 2017 tot en met 2020. Om die reden stelt eiser dat hij affiniteit heeft met de Nederlandse arbeidsmarkt. Daar komt bij dat eiser geen beroep heeft gedaan op sociale middelen en in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het feit dat zijn identiteitsbewijs is gestolen hem momenteel belemmert bij het vinden van een baan. <?linebreak?></para>
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld</para>
    <para>dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser langer dan drie maanden in Nederland verblijft, geen arbeid in loondienst verricht, geen zelfstandige is en niet beschikt over enige middelen van bestaan om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Verder heeft verweerder kunnen concluderen dat niet is gebleken dat eiser werk zoekt en een reële kans op werk heeft. Hij heeft dit immers niet aangetoond, ook tijdens de zitting niet. Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat de omstandigheid dat eiser in het verleden ruim drie jaar in Nederland heeft gewerkt en nooit een beroep heeft gedaan op de sociale bijstand, onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat hij een reële kans op werk heeft. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat hij daadwerkelijk op zoek is naar werk. Hij heeft bijvoorbeeld geen sollicitatiebrieven overgelegd en niet aangetoond dat hij staat ingeschreven bij een uitzendbureau of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) als werkzoekende. Over het standpunt van eiser dat het ontbreken van een identiteitsbewijs hem belemmert bij het vinden van een baan, heeft verweerder kunnen stellen dat dit niet maakt dat eiser niet hoeft aan te tonen dat hij actief op zoek is naar werk. Verweerder heeft eiser dan ook terecht niet als onvrijwillig werkloze aangemerkt. <?linebreak?><emphasis role="italic">Belangenafweging bij de verwijderingsmaatregel </emphasis></para>
    <para>6. Eiser voert aan dat verweerder tot een onjuiste belangenafweging is gekomen. Eiser</para>
    <para>stelt dat hij sociale en economische contacten in Nederland heeft opgebouwd door zijn arbeidsverleden en dat het onderhouden van deze contacten in Nederland van belang is. Ook stelt eiser dat hij meer binding heeft met Nederland omdat hij in Nederland een economisch vooruitzicht heeft. </para>
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de</para>
    <para>belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Daarbij heeft verweerder alle relevante omstandigheden betrokken. Dat eiser sociale en economische contacten heeft opgebouwd in Nederland, maakt niet dat eiser een dusdanige binding heeft met Nederland dat de verwijderingsmaatregel onevenredig is. Daargelaten dat deze contacten niet zijn onderbouwd, kan eiser die ook op afstand onderhouden. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat eiser familie heeft in Polen, dat hij niet betrokken is bij de Nederlandse samenleving, dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, dat hij de Nederlandse taal niet spreekt, dat hij een zwervend bestaan leidt, dat hij geen middelen heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en dat hij geen reële kans op werk heeft. Verweerder heeft dus kunnen concluderen dat de banden van eiser met Nederland niet zodanig zijn dat hij hier zou moeten blijven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vertrektermijn van artikel 62 van de Vreemdelingenwet (Vw)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Eiser voert verder aan dat dat de vertrektermijn van 28 dagen die in artikel 62 van de</para>
    <para>Vw staat vermeld te kort is en in strijd is met de Richtlijn. Volgens eiser bepaalt artikel 30, derde lid, van de Richtlijn dat de vertrektermijn ‘minimaal een maand’ dient te zijn. Eiser verwijst in dit kader naar het arrest van het Hof van Justitie (Hof) van 22 juni 2021<footnote-ref linkend="_89d5cfe0-79ad-4908-b23a-06d3dccd6fa4" /> waarin is opgenomen dat de vertrektermijn van een vreemdeling een maand is. Volgens eiser kan de uitleg van ‘een maand’ worden gevonden in artikel 88 van het Wetboek van Strafrecht, waarin is opgenomen dat een maand bestaat uit 30 dagen.   <?linebreak?></para>
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde vertrektermijn van 28 dagen</para>
    <para>niet in strijd is met artikel 30, derde lid van de Richtlijn. Uit artikel 30, derde lid, van de Richtlijn en het arrest van het Hof van 22 juni 2021 blijkt dat de vertrektermijn een maand is. Uit het regeerakkoord van 1998<footnote-ref linkend="_38144073-b5d0-4759-996a-19db014a1c80" /> en de Terugkeermotie van 1999<footnote-ref linkend="_b7a4f6bb-81b7-4311-97e6-22361ca02239" /> blijkt dat de Nederlandse wetgever heeft besloten dat een termijn van een maand (lees: vier weken) 28 dagen is. Verweerder heeft daarom de vertrektermijn van 28 dagen overeenkomstig de wet- en regelgeving uitgelegd. Verder overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien dat eiser met een vertrektermijn van 28 dagen in zijn belangen wordt geschaad, aangezien het een vrijwillige termijn van vertrek betreft. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Sari, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>23 december 2021</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_89d5cfe0-79ad-4908-b23a-06d3dccd6fa4" label="1">
    <para> ECLI:EU:C:2021:506.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_38144073-b5d0-4759-996a-19db014a1c80" label="2">
    <para> Kamerstukken II, 1998/99, 26024, nr. 10 p. 89-91.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7a4f6bb-81b7-4311-97e6-22361ca02239" label="3">
    <para> Kamerstukken II, 1998/99, 26646, nr. 1. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>