<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:16955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T07:46:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 21/2904</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16955">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T07:45:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:16955 Rechtbank Den Haag , 06-12-2021 / AWB 21/2904</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16955:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>VK, regulier, buitenbehandelingstelling, grondslag art. 4:5 Awb, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16955:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 21/2904</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Kloosterman).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) buiten behandeling gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ook aanwezig was [A] , referent, de zoon van eiseres. Als tolk is verschenen S.M. Razaghi. Verweerder heeft laten weten niet bij de zitting aanwezig te zullen zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Ter onderbouwing heeft</para>
    <para>eiseres een verklaring overgelegd waaruit volgt dat zij geen inkomen en vermogen heeft. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verzoek kan worden toegewezen. Eiseres wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.</para>
    <para />
    <para>2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Iraanse nationaliteit. Ze heeft aan aanvraag ingediend voor verblijf bij haar zoon [A] (referent). </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld, omdat zij niet tijdig de gevraagde, nog ontbrekende, documenten ten behoeve van haar aanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft in het primaire besluit verwezen naar de artikelen 4:2 en 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikel 2n van de Vreemdelingenwet en artikel 2, eerste lid, onder h van de Rijkswet Consulaire Tarieven. </para>
    <para />
    <para>4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte haar aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Volgens haar ontbreekt de grondslag voor de buitenbehandelingstelling of in ieder geval een gedegen en afdoende motivering daarvoor. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de aanvraag van eiseres voor een mvv buiten behandeling heeft gesteld. De grondslag voor de buitenbehandelingstelling is gelegen in artikel 4:5 van de Awb, waaruit blijkt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Naar dit artikel is in het primaire besluit verwezen. De rechtbank volgt eiseres niet dat dit artikel niet aan de buitenbehandelingstelling ten grondslag gelegd kan worden. In het geval van eiseres heeft verweerder, conform de wet (en zijn beleid in de Vreemdelingencirculaire), haar de mogelijkheid geboden om het verzuim te herstellen. Daarbij is expliciet gewezen op de gebreken in de documenten. Desondanks heeft eiseres de benodigde documenten ook nadien niet overgelegd. Dat verweerder ook andere wetsbepalingen heeft genoemd komt de overzichtelijkheid niet ten goede, maar neemt niet weg dat artikel 4:5 Awb ook is genoemd en deze bepaling in beginsel de basis voor de beslissing biedt.</para>
    <para />
    <para>6. Zoals verweerder verder terecht heeft opgemerkt is een onderzoek naar onder meer de identiteit van eiseres en de (gezins-)band met referent een belangrijk onderdeel van de aanvraagprocedure voor de mvv. Het niet compleet of onjuist aanleveren van stukken kan leiden tot een buitenbehandelingstelling of weigering van de aanvraag. Daar is eiseres ook op gewezen. Nu verweerder eiseres voldoende in de gelegenheid heeft gesteld de benodigde gegevens over te leggen, zoals hiervoor overwogen, en het eiseres bovendien vrij stond een nieuwe aanvraag in te dienen, is de rechtbank van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat het buiten behandeling stellen van de aanvraag dusdanig onevenredige gevolgen voor eiseres heeft in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat de verweerder reeds daarom van het buiten behandeling stellen had moeten afzien. Dat hierbij de belangen die van belang zijn voor de mvv-verlening niet zijn meegewogen, leidt niet tot een ander oordeel omdat verweerder aan de beoordeling van de aanvraag niet is toegekomen. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.</para>
    <para />
    <para>7. Dat in andere gevallen alsnog tot een inhoudelijke behandeling is overgegaan wil niet zeggen dat in dit geval de aanvraag niet buiten behandeling mocht worden gelaten.</para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard en heeft verweerder eiseres om die reden ook niet hoeven horen.</para>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier. De beslissing is uitgesproken op 6 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>