<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:16841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-10T12:38:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.17100</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16841">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-10T12:38:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:16841 Rechtbank Den Haag , 22-11-2021 / NL21.17100</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16841:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Slovenië, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16841:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.17100</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL21.17101, op 16 november 2021 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Sloveense autoriteiten hebben ingestemd met deze verantwoordelijkheid.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat hij niet over de door hem ondervonden behandeling in Slovenië kan klagen, omdat hij niet weet waar en hoe hij moet klagen en ook de taal niet spreekt. Verder voert eiser aan dat Slovenië zich niet altijd aan de Opvangrichtlijn houdt en eiser voelt zich niet veilig in Slovenië en heeft geen vertrouwen in de Sloveense autoriteiten. Eiser beroept zich in dit kader op pagina 55 uit het AIDA-rapport, update 2019 over Slovenië uit maart 2020, waaruit blijkt dat de faciliteiten uit de opvangcentra vaak niet voldoen aan de basisbehoeften en dat er vaak gebrek is aan privacy. Er blijkt bijvoorbeeld dat asielzoekers in bedden op de gang en in de recreatieruimte van het asielzoekerscentrum</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>moeten slapen, er geen hygiënische standaarden zijn, er medische risico's zijn en dat de asielzoekerscentra overvol zijn. Verder blijkt uit het rapport dat asielzoekers niet altijd voor hun eerste interview medisch onderzocht werden. Dit is, zeker in tijden van een oplopende corona-infectiegraad, een risico voor Dublinterugkeerders. Verder verwijst eiser naar pagina 18 van het rapport, waaruit blijkt dat er sprake is van individuen die niet werden toegelaten tot de asielprocedure, dat er geweld werd gebruikt vanuit de politie en dat de politie niet volgens de wet handelt. Ook voert eiser aan dat hij bij de grens is mishandeld door Kroatische politieagenten en dat hij bang is dat de Sloveense autoriteiten hem naar Kroatië zullen terugsturen. Eiser vreest ook dat de Sloveense autoriteiten hem zullen uitzetten naar Marokko, wat zal leiden tot strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder brengt eiser naar voren dat de verlening van rechtsbijstand in Slovenië minder goed is georganiseerd dan in Nederland en dat het niet zeker is dat asielzoekers in de beroepsfase aanspraak kunnen maken op gefinancierde rechtsbijstand. Het is mogelijk dat artikel 20 van de Procedurerichtlijn hierdoor wordt geschonden. Ten slotte doet eiser een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening, omdat hij in Slovenië geen asiel wilde aanvragen. Hij heeft dit gedaan, omdat hij vanwege de coronapandemie een maand in quarantaine moest in Slovenië.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Slovenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aan te tonen dat dit in zijn geval niet mag. Eiser is hier niet in geslaagd.</para>
    <para />
    <para>4. Uit het AIDA-rapport1 volgt niet dat sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele gebreken in het Sloveense asiel- en opvangsysteem. Uit pagina 55 van het rapport blijkt weliswaar dat er 2019 door de grote toestroom van asielzoekers soms gebrek was aan ruimte in de asielzoekerscentra, maar dit betekent niet dat er sprake is van structurele gebreken of dat Slovenië zich niet aan de Opvangrichtlijn houdt. Het blijkt niet dat asielzoekers geen opvang krijgen. Eiser heeft zelf ook verklaard dat hij opvang heeft gehad. Verder blijkt uit het rapport niet dat asielzoekers structureel toegang tot de asielprocedure wordt geweigerd. Eiser heeft bovendien zelf verklaard dat hij een asielaanvraag heeft kunnen doen en dit blijkt ook uit de Eurodac-gegevens. Eiser heeft er vervolgens zelf voor gekozen om zijn tweede interview niet af te wachten en te vertrekken. Hij heeft dan ook verder geen ervaring met de asielprocedure of de beroepsprocedure. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij geen recht heeft op (gratis) rechtsbijstand. Verder hebben de Sloveense autoriteiten met het claimakkoord aangegeven dat het asielverzoek van eiser nog in behandeling is en dat zijn situatie zal worden beoordeeld aan dezelfde criteria als in Nederland en in lijn met de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. De garantie van de lidstaat om het asielverzoek in behandeling te nemen omvat ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd met het verbod van réfoulement zal zijn. Dat sprake is van indirect réfoulement omdat eiser vreest dat hij naar zijn land van herkomst of naar Kroatië zal worden teruggestuurd, volgt de rechtbank dan ook niet. Verweerder stelt ten slotte terecht dat eiser, indien hij van mening is dat Slovenië zich niet aan de Richtlijnen houdt, zich hierover moet beklagen bij de Sloveense</para>
    <para>autoriteiten. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk of zinloos is. Dat hij niet weet hoe hij moet klagen en de taal niet kent, betekent nog niet dat klagen voor hem onmogelijk is.</para>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="23dbaad7-fcb5-4fd7-9b96-890193c5858a" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Country Report: Slovenia 2019 update (update 26 maart 2020)</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvraag in behandeling te nemen. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken. Dat eiser geen asielaanvraag wilde indienen in Slovenië is geen bijzondere omstandigheid. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat deze omstandigheid niet zodanig is dat overdracht van een onevenredige hardheid zou getuigen.</para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="46fec8fe-4006-4a03-9a63-7caf41929c13" depth="82" width="251" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="1e7e10f9-cdca-4983-8933-5ab60fc065d1" depth="82" width="251" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>22 november 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    <parablock>
      <para />
      <para>Mr. L.M. Reijnierse	T.R. Vos</para>
      <para>Rechter	Griffier</para>
      <para>Rechtbank Midden-Nederland	Rechtbank Midden-Nederland</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Documentcode: [documentcode]</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling</para>
      <para>bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>