<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:16799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-05T16:00:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.14960</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16799">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-01T14:23:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:16799 Rechtbank Den Haag , 07-10-2021 / NL21.14960</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16799:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel, Marokko, veilig land van herkomst, p-v,  ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16799:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.14960</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, <emphasis role="bold">geboren op [2002], van Marokkaanse nationaliteit, </emphasis>eiser V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. G.T. Cambier)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.14961, op 7 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Asielrelaas</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij Marokko moest ontvluchten vanwege problemen met de politie. Daarnaast had eiser problemen met de broers van zijn</para>
    <para>ex-vriendin, omdat zij vinden dat eiser de eer van de familie heeft aangetast. Eiser heeft zich hierover tot de politie gewend, maar de politie heeft geen onderzoek gedaan.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:</para>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Identiteit, nationaliteit en herkomst;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Vijf keer meegenomen door de politie;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Problemen met de broers van [A].</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para>4. Verweerder vindt alle relevante elementen van het asielrelaas geloofwaardig. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat Marokko als veilig land van herkomst is aangemerkt1 en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Marokko voor hem persoonlijk geen veilig land van herkomst is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroepsgronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eiser is het hier niet mee eens. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling. 2 Hij heeft daar geen huis en zal moeite hebben om zich in Marokko staande te houden. Economische en materiële omstandigheden vallen volgens eiser niet buiten het bereik van artikel 3 van het EVRM. Daarnaast vreest eiser dat hij bij terugkeer wordt opgeroepen voor de militaire dienstplicht. Eiser is Sahrawi en vreest dat hij vanwege zijn afkomst in het leger onmenselijk behandeld zal worden. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht. Ook heeft verweerder de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende onderzocht. Eiser verzoekt verder om vanwege humanitaire omstandigheden af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Hierbij doet eiser een beroep op zijn recht op gezinsleven.3 Hij heeft namelijk een Nederlandse vriendin.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Marokko in het algemeen kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst. Op 6 mei 2021 heeft een herbeoordeling van deze aanwijzing plaatsgevonden. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat Marokko in het algemeen geen veilig land van herkomst is. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Marokko voor hem persoonlijk geen veilig land is.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op schade vanwege de militaire dienstplicht. Verweerder mocht tegenwerpen dat het hier enkel gaat om vermoedens. Dit is onvoldoende voor het aannemen van schending van artikel 3 van het EVRM.4 Eiser heeft geen documenten ingediend waaruit blijkt dat hij is opgeroepen. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij als Sahrawi in het leger meer risico loopt. Verweerder hoefde daar geen nader onderzoek naar te doen. Verweerder merkt in dat kader terecht op dat eiser tijdens het gehoor op geen enkele wijze naar voren heeft gebracht dat hij bij terugkeer in Marokko opgeroepen zal worden voor de dienstplicht. Ook overigens is het risico op schending van artikel 3 van het EVRM niet aannemelijk gemaakt.</para>
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="bc2632e8-85f7-414a-ba0e-f50e5e71bf64" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Zie de herbeoordeling van Marokko als veilig land van herkomst van 6 mei 2021.</para>
    <para>2 In strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van d e Europese Unie.</para>
    <para>3 Artikel 8 van het EVRM.</para>
    <para>4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3457).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inreisverbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Omdat de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond, kon verweerder bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten.5 Verweerder moet eiser daarom een inreisverbod opleggen.6 Namens eiser zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die maken dat verweerder van de oplegging van een inreisverbod moest afzien.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Marokko een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2021 door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="3abb90ed-bcf0-41ab-ac0f-4c890ba3b726" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>5 Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
    <para>6 Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>15 oktober 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="7fd763dd-9e8e-405a-af9a-fd0229a2112d" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>