<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:16791</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-01T09:57:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.15953</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16791">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16791</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-01T09:57:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:16791 Rechtbank Den Haag , 02-11-2021 / NL21.15953</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16791:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, binding met Nederland, pleegouders, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16791:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Locatie Amersfoort</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht zaaknummer: NL21.15953</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <para>V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Nohar),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de zaak NL21.15954, plaatsgevonden op 26 oktober 2021. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen1, omdat op grond van de Dublinverordening2 Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland heeft aan Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van Spanje ten onrechte uit gaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Spanje is zwaar getroffen door de coronapandemie, waardoor de reeds bestaande slechte opvangmogelijkheden nog slechter zijn geworden.</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="5c40f8cb-c70a-4957-8ae7-5086debb67e9" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
    <para>2 Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser zal bij overdracht aan Spanje op straat worden gezet. Dat is een schending van artikel 3 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ondanks de coronapandemie nog steeds uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gezien de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 8 juli 20213. Mochten er gebreken zijn in de opvangvoorzieningen in Spanje, moet eiser daartegen in Spanje rechtsmiddelen aanwenden. Niet is gebleken dat dat niet mogelijk is. De enkele stelling dat eiser geen hulp zou krijgen is daartoe onvoldoende.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mag. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat sprake is van structurele tekortkomingen4 in het Spaanse asiel- en opvangsysteem en dat de opvangmogelijkheden in Spanje door het coronavirus slechter zijn geworden. De stelling van eiser dat hij bij overdracht aan Spanje in strijd met artikel 3 EVRM op straat zal worden gezet is ook niet onderbouwd. Daarbij komt dat uit de uitspraak van de ABRvS van 8 juli 20215 blijkt dat hoewel de opvangvoorzieningen in Spanje vatbaar zijn voor verbetering, er geen sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten in Spanje. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Binding met Nederland</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verder voert eiser aan dat hij geen binding met Spanje heeft, maar wel met Nederland omdat zijn pleegouders in Nederland wonen.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij pleegouders heeft in Nederland. Daardoor is het niet duidelijk of eiser daadwerkelijk pleegouders heeft en wie zij zijn. Daarbij komt dat eiser een alleenstaande volwassen man is en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afhankelijk is van zijn pleegouders in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser een alleenstaande volwassen man is en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij pleegouders in Nederland heeft en daarvan afhankelijk is in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft daartoe geen enkele onderbouwing gegeven. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in deze omstandigheden dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 16, eerste lid, dan wel artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door eisers asielaanvraag in behandeling te nemen.</para>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="768b7c85-19a5-4226-a301-48d2ad98d1f3" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>3 ECLI:NL:RVS:2021:1481.</para>
    <para>4 Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 januari 2011,</para>
    <para>M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, r.o. 300 en de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:199, r.o. 2.1.</para>
    <para>5 ECLI:NL:RVS:2021:1481.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>02 november 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="919c1bac-dde4-40da-86ea-c99367630042" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [Documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>