<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:16515</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-04T09:33:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.8848</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16515">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16515</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-04T09:33:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:16515 Rechtbank Den Haag , 15-07-2021 / NL21.8848</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16515:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Frankrijk, Eurodac registratie juist, uiting wens om internationale bescherming voldoende voor registratie met nummer "1", artikel 17 DVO, broer die woonachtig is in Nederland is een onvoldoende bijzondere omstandigheid, beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16515:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Locatie Amersfoort</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht zaaknummer: NL21.8848</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <para>V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H.J. Janse),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. G.T. Cambier).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.8849, op 22 juni 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Altee. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat volgens verweerder Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. In dit geval heeft verweerder op 13 april 2021 een terugnameverzoek naar Frankrijk verstuurd. Op 19 april 2021 heeft Frankrijk dit verzoek geaccepteerd en kwam het claimakkoord vast te staan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De Eurodac-registratie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat de Eurodac registratie in Frankrijk onjuist is verricht en er dus niet uit kan worden gegaan van het resultaat. Eiser stelt namelijk, onder verwijzing naar het document dat hij van de Franse autoriteiten heeft ontvangen, dat hij nooit een asielaanvraag heeft ingediend in Frankrijk. Uit dit stuk blijkt namelijk dat eiser op 12 maart 2020 alleen een document heeft ontvangen om het Franse grondgebied binnen te komen om zijn</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>asielaanvraag in te dienen. Op basis van het AIDA rapport 2020 stelt eiser dat er pas sprake kan zijn van een ingediende asielaanvraag als deze is ingediend bij de OFPRA. Er is volgens eiser dus in zijn geval geen sprake van een formeel, schriftelijk ingediend asielverzoek.</para>
      <para>Hierbij verwijst eiser nog naar de uitspraak van rechtbank Arnhem van 20 oktober 20161 en de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 6 april 20212.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank volgt eiser niet dat de in Frankrijk uitgevoerde registratie in Eurodac niet juist is. Een door een vreemdeling kenbaar gemaakte asielwens bij de autoriteiten van een lidstaat is namelijk voldoende om hem te registreren als asielzoeker met een “1” in Eurodac3. Wanneer een vreemdeling zijn wens om internationale bescherming kenbaar maakt kan dit volgens de Dublinverordening worden aangemerkt als een verzoek om internationale bescherming4. Uit het door eiser overgelegd stuk van 12 maart 2020 blijkt dat eiser (op zijn minst) een dergelijke wens heeft geuit. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 januari 2017 waarin uitleg wordt gegeven hoe de Dublinverordening in samenhang met de Eurodac-verordening in dit verband moet worden begrepen5. De door eiser genoemde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel. Het in die uitspraken vermelde vereiste van de indiening van een formeel verzoek hebben betrekking op het begin van de Dublinprocedure. Dat is het moment waarop op grond van de Dublinverordening moet worden beoordeeld welke lidstaat als verantwoordelijke lidstaat moet worden aangewezen, waardoor verplichtingen ontstaan en termijnen gaan lopen. Deze uitspraken zien dus op een andere situatie dan die thans aan de orde. Verweerder heeft gelet op het Eurodac-resultaat bij Frankrijk terecht een claim neergelegd, welke ook is geaccepteerd. Niet is gebleken dat Frankrijk de bepalingen uit de Eurodac-verordening op een onjuiste wijze heeft toegepast. De beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 17 van de Dublinverordening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser voert verder aan dat verweerder het feit dat eiser een broer heeft die in Nederland woont onterecht niet heeft beoordeeld in het licht van artikel 17 van de Dublinverordening, terwijl eiser daar wel een beroep op heeft gedaan in de zienswijze. Verweerder heeft dit beroep enkel beoordeeld in het kader van mogelijke aanspraken op artikel 16 van de Dublinverordening, terwijl er op dat artikel geen beroep is gedaan. Er is hierdoor volgens eiser sprake van een motiveringsgebrek.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het besluit voldoende is ingegaan op het feit dat eiser een broer heeft die in Nederland woont. Gelet op datgene wat in de zienswijze is aangevoerd met betrekking tot de broer van eiser, heeft verweerder kunnen volstaan met de algemene motivering in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft namelijk ook niet verder geconcretiseerd wat zijn situatie zo bijzonder maakt en</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="8efa9fc3-87d7-42bd-901f-054a40b02c5c" depth="1" width="192" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. ECLI:NL:RBDHA:2016:12904.</para>
    <para>2 NL21.1731.</para>
    <para>3 Artikel 2, derde lid, van Verordening (EG) nr. 407/2002.</para>
    <para>4 Artikel 2, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, gelezen in verbinding met artikel 2, aanhef en onder h, van Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011, L 337) en artikel 9, eerst lid, van Verordening (EU) nr. 603/2013 (PB 2013, L180).</para>
    <para>5 ABRvS, 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:74</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>welke individuele omstandigheden er zijn die zouden moeten leiden tot het oordeel dat de overdracht van eiser aan Frankrijk van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Het enkele feit dat eiser heeft aangegeven dat zijn broer in Nederland woonachtig is en dat deze hem tot grote steun is, zowel praktisch als emotioneel, is daartoe niet voldoende. De beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bazaz, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>15 juli 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="f72633ab-808d-4f06-bb85-ffdb1e0687d2" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>