<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:16421</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-17T11:20:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.1389</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16421">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16421</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-17T11:19:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:16421 Rechtbank Den Haag , 26-08-2021 / NL21.1389</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16421:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:54 pkv; beroep ontvankelijk want de afdeling sluit niet uit dat er een beroep niet tijdig beslissen kan worden ingediend bij uitblijven dwangsombesluit, maar enkel dat er geen dwangsom kan vebreuren op grond van 4:17 Awb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16421:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.1389</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>(gemachtigde: mr. M.A. Krikke), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: F. el Benaissati).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoeker heeft ingediend omdat verweerder niet op tijd de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft op 6 november 2020 een besluit genomen. Verzoeker is in beroep gegaan tegen het niet toekennen van een dwangsom. Op 10 februari 2021 heeft verweerder een dwangsombesluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder geeft in zijn schrijven van 1 maart 2021 aan dat hij niet bereid is om de proceskosten van verzoeker te vergoeden. Het beroepschrift moet niet-ontvankelijk worden geacht en daarom zijn er volgens verweerder geen proceskosten verschuldigd. Een ingebrekestelling op grond van artikel 4:17 van de Awb ziet niet op ambtshalve te nemen besluiten. Verweerder verwijst hierbij naar een uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).1 Verweerder merkt op dat het niet in behandeling nemen van een ingebrekestelling geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Een ingebrekestelling is namelijk geen aanvraag, dus de reactie daarop is geen besluit. Doordat een geldige ingebrekestelling ontbreekt, moet het beroep niet-ontvankelijk verklaard worden.</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="c640e335-57fa-4755-b560-485a38f017fe" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. ECLI:NL:RVS:2014:1290</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>4. De rechtbank is het niet eens met het standpunt van verweerder. De rechtbank verwijst daarbij naar de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014.. In die uitspraak staat vermeld dat verweerder op grond van artikel 4:17 van de Awb geen dwangsom kan verbeuren als er niet tijdig een dwangsombesluit wordt genomen, maar dat het wel mogelijk is om beroep in te stellen bij de bestuursrechter tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.2 Voordat zodanig beroep kan worden ingesteld, dienen er in ieder geval twee weken te zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke is gesteld overeenkomstig artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. De ingebrekestelling van 11 januari 2021 is een dergelijke ingebrekestelling. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker vast op</para>
    <para>€ 374,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0.5). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden geldt een wegingsfactor van 0,5. Verweerder dient de proceskosten van verzoeker te betalen.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 374,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="16578116-1ed4-42e7-b837-06ddfee55eae" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <parablock>
      <para>2 ECLI:NL:RVS:2014:1290 r.o. 5.1.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op</para>
      <para>en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
      <para>26 augustus 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="f52d3696-6399-40b5-a5f1-dc1c11ee2bee" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [nummer]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>