<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:16208</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-09T12:18:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/8739 en 20/7119</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16208">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:16208</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-29T10:05:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:16208 Rechtbank Den Haag , 21-07-2021 / 20/8739 en 20/7119</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16208:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>artikel 64 Vw, BMA inzichtelijk en concludent, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:16208:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 20/8739 en AWB 20/7119 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 21 juli 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1998, van Sierra Leoonse nationaliteit</emphasis>, eiseres/verzoekster</para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.R.J. Maas).  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres/verzoekster (eiseres) tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2021. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiseres heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Eiseres lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en heeft somberheidsklachten. Hiervoor is zij onder behandeling in Nederland. Op 1 april 2020 is de asielaanvraag van eiseres afgewezen. Tegelijkertijd heeft verweerder ambtshalve beoordeeld of aan eiseres uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw moet worden verleend. Op 14 september 2020 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) advies uitgebracht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Verweerder heeft het besluit gebaseerd op het BMA-advies. Hieruit blijkt dat bij uitblijven van de medische behandeling van eiseres geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. Er is in het verleden geen sprake geweest van klinische psychiatrische opnames, Wvggz maatregelen, psychoses of van andere belangrijke crisissituaties zoals een gedocumenteerde suïcidepoging. Wel is er een reële kans op het toename van de klachten bij uitblijven van ambulante psychiatrische behandeling en medicatie. De BMA-arts heeft zich volgens verweerder mogen onthouden van de landgebonden vragen nu er geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. De beoordeling of er medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst zijn, blijft achterwege. Dit blijkt uit het BMA-Protocol en paragrafen A3/7.1.3 en A3/7.1.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Verder blijkt uit het BMA-advies dat eiseres in staat wordt geacht om te kunnen reizen. Het BMA heeft aanbevolen om een schriftelijke overdracht van de medische gegevens (zoals een ingevuld Europees Medisch Paspoort) mee te nemen naar het land van herkomst en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat deze reisvoorwaarden als algemeen uitgangspunt van het BMA worden beschouwd. Het betreft volgens verweerder geen harde reisvoorwaarde waarbij, als er niet aan voldaan wordt, de reis niet kan doorgaan of sprake zal zijn van een medische noodsituatie. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Gronden</emphasis>
    </para>
    <para>3. Eiseres heeft aangevoerd dat het BMA-advies niet inzichtelijk en concludent is en dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. In het BMA-advies is niet uitgelegd op grond waarvan wordt aangenomen dat na de reis geen medische reisvoorwaarden noodzakelijk zijn en of na de reis een behandeling noodzakelijk en voorhanden is. Om die reden is het besluit op onjuiste gronden tot stand gekomen. Dit is in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat het BMA-advies inzichtelijk en concludent is. Op basis van de beschikbare informatie over de medische situatie van eiseres heeft het BMA kunnen concluderen dat er geen medische noodsituatie op korte termijn worden verwacht en dat eiseres in staat wordt geacht om te reizen. Verweerder heeft dit advies aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen nu eiseres geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid en de volledigheid van het BMA-advies. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat het BMA niet toekomt aan beantwoording van de landgebonden vragen, vanwege de conclusie dat het achterwege laten van de medische behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie bij eiseres op korte termijn. Daarnaast volgen de door het BMA genoemde reisvoorwaarden (de schriftelijke overdracht van medische gegevens en het continueren van medicatie tijdens en na de reis) uit het BMA-Protocol. De reisvoorwaarden zijn algemeen van aard en er ontstaat geen medische noodsituatie als er niet aan zou worden voldaan. Het vermelden van deze reisvoorwaarden kan als algemeen uitgangspunt van het BMA worden beschouwd.  </para>
    <para />
    <para>5. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para>7. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Z.E.M. van der Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier												rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>