<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:15884</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-21T08:06:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.1142</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15884">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15884</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-01T09:54:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:15884 Rechtbank Den Haag , 16-06-2021 / NL21.1142</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15884:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>TKB en IRV, geen gronden gericht tegen TKB, art. 8 EVRM, geen bijzondere omstandigheden, vw hoeft max, duur inreisverbod niet te motiveren, beroep TKB no, beroep IRV ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15884:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.1142</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <para>V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. V. Ilic).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat beide partijen op voorhand toestemming hebben gegeven om de zaak buiten zitting af te doen, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt dat hij de Albanese nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1999.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Terugkeerbesluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het terugkeerbesluit. Het beroep daartegen verklaart de rechtbank daarom niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inreisverbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien of anders op zijn minst de duur van het inreisverbod had moeten verkorten, omdat hij een neef heeft in Duitsland. Door het inreisverbod is het voor eiser niet mogelijk om zijn neef in Duitsland te bezoeken. Eiser doet in dit verband een beroep op artikel 8 van het</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>EVRM.1 Eiser stelt ook dat verweerder had moeten motiveren waarom is gekozen voor een inreisverbod voor de duur van twee jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM niet slaagt en licht dit als volgt toe. Tijdens het gehoor voor het opleggen van het inreisverbod op 15 januari 2021 heeft eiser onder meer verklaard dat hij een neef heeft in Duitsland. Uit het inreisverbod blijkt dat verweerder deze omstandigheid heeft meegewogen. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging terecht in het nadeel van eiser is uitgevallen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser verder niet heeft onderbouwd dat zijn neef in Duitsland woont en ook geen gegevens van hem heeft verstrekt. Daarnaast kunnen eiser en zijn neef elkaar eventueel ook zien in een land waar zij allen toegang hebben. De stelling dat eiser en zijn neef geen geld hebben om elkaar eventueel ergens anders op te zoeken, is verder niet onderbouwd.</para>
    <para />
    <para>5. Over de duur van het inreisverbod overweegt de rechtbank als volgt. Volgens het beleid2 van verweerder legt hij- indien mogelijk - een inreisverbod op voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is genoemd. In dit artikel staat dat het inreisverbod voor maximaal twee jaar wordt opgelegd. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd. Zoals blijkt uit het gehoor van 15 januari 2021 is aan eiser de vraag gesteld of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder zou moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod, dan wel de duur daarvan zou moeten verkorten. Op die vraag heeft eiser geantwoord dat die omstandigheden er niet zijn en dat hij wil terugkeren naar Albanië. Nu eiser geen bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht, hoefde verweerder ook niet te motiveren waarom hij een inreisverbod oplegt voor de maximale duur. De beroepsgrond slaag niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;</para>
      <para>- verklaart het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="c11a0293-3f66-49b3-bdf3-d97e2571efc2" depth="1" width="192" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
    <para>2 Dit staat in paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>16 juni 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="8350c7ac-1085-46a6-9ce4-4b4e4af325cc" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>