<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:15841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-15T11:18:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19/9602 rectificatie</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15841">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15841</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-28T10:22:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:15841 Rechtbank Den Haag , 12-02-2021 / AWB 19/9602 rectificatie</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15841:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>rectificatie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15841:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">zaaknummer: AWB 19/9602 – RECTIFICATIE (pag. 2)</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 2003, nationaliteit onbekend</emphasis>, verzoekster</para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van 9 augustus 2019 van [A] ten behoeve van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 11 mei 2020 een beslissing op bezwaar genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de beslissing op bezwaar op 11 december 2020 ingetrokken. Verzoekster heeft haar beroep ingetrokken, maar het verzoek om voorlopige voorziening gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een nieuw besluit genomen op 22 december 2020 en daarin het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Verzoekster heeft daarop het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, maar ze handhaaft het verzoek om een proceskostenveroordeling met betrekking tot de procedure in bezwaar.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2021. Verzoekster en haar gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verzoekster stelt dat zij aanspraak kan maken op een proceskostenvergoeding in de voorlopige voorziening-procedure in bezwaar, omdat zij terecht het verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij maar één keer een proceskostenvergoeding aanbiedt in verband met de samenhang van de zaken. Verweerder heeft al in de beroepsprocedure een proceskostenvergoeding aangeboden. <?linebreak?></para>
    <para>3. Op grond van artikel 8:84, vierde lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, en 8:75, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening in verband met de behandeling daarvan redelijkerwijs heeft moeten maken, indien de indiener het verzoek heeft ingetrokken omdat geheel of gedeeltelijk aan hem is tegemoetgekomen en hij bij intrekking om veroordeling in de kosten heeft verzocht.<?linebreak?></para>
    <para>4. In artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb worden beschouwd als één zaak.<?linebreak?></para>
    <para>5. Op grond van het tweede lid zijn samenhangende zaken door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.<?linebreak?></para>
    <para>6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn een beroep en een verzoek geen samenhangende zaken in de zin van het Bpb. De strekking van het beroep en het verzoek is niet gelijk; het beroep was gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening diende om de uitzetting te voorkomen. Verweerder heeft op 22 december 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en daarbij het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. Er was aanleiding voor verzoekster om een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, nu uit het primaire besluit blijkt dat verzoekster de beslissing op bezwaar niet in Nederland mocht afwachten. Het voorgaande betekent dat verzoekster voor het verzoek om een voorlopige voorziening recht heeft op vergoeding van de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>7. <emphasis role="bold">Gelet op het voorgaande, bepaalt de voorzieningenrechter dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb. De griffier zal aan  verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoeden. </emphasis></para>
    <para />
    <para>8. De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten in deze zaak. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van <?linebreak?>€ 534,- en wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 534,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Gestel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">deze uitspraak te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier										voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>