<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:15725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T14:03:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 1225</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15725">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-22T11:44:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:15725 Rechtbank Den Haag , 30-04-2021 / AWB - 21 _ 1225</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15725:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, verweerder verzet zich niet tegen toewijzing</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15725:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 21/1225 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.N. Lorier).  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 23 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om verzoeker op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) uitstel van vertrek te verlenen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder in het besluit van 6 april 2021 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld<footnote-ref linkend="_d25f0007-512f-4b3a-89cf-a337196da367" />, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder het houden van een zitting. </para>
    <para />
    <para>2. Als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist<footnote-ref linkend="_9f509bd3-d76b-4704-81fb-f5faec05465f" />.</para>
    <para />
    <para>3. In het bericht van 30 april 2021 heeft verweerder medegedeeld dat hij in de door verzoeker in beroep overgelegde stukken aanleiding ziet het Bureau Medische Advisering om een aanvullend advies te vragen. In verband hiermee verzet verweerder zich niet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en kan worden uitgezet. Met het instellen van beroep tegen het bestreden besluit wordt niet bereikt dat hij niet kan worden uitgezet. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder niet zelf de bevoegdheid heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten. </para>
    <para />
    <para>5. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat op dit moment van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien, is het verzoek kennelijk gegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden tot vier weken nadat op het beroep is beslist. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep wordt aangehouden totdat verweerder een nader advies van het Bureau Medische Advisering heeft ingediend. </para>
    <para />
    <para>7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). </para>
    <para />
    <para>8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing<?linebreak?>De voorzieningenrechter:<?linebreak?>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;<?linebreak?>- verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het beroep is beslist;<?linebreak?>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;</title>
    <parablock>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 534,-. <?linebreak?></para>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier										voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d25f0007-512f-4b3a-89cf-a337196da367" label="1">
    <para> Geregistreerd onder zaaknummer NL21.5178.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9f509bd3-d76b-4704-81fb-f5faec05465f" label="2">
    <para> Op grond van artikel 8:81 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>