<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:15668</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-24T13:22:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/7500</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15668">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15668</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-18T09:00:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:15668 Rechtbank Den Haag , 16-02-2021 / AWB 20/7500</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15668:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>tkb en riv</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15668:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 20/7500 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe), </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Ibrahim).  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 9 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (het terugkeerbesluit) en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Aan het terugkeerbesluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken<footnote-ref linkend="_bc62c01a-1231-4ed5-b09a-8ba5664e49c9" />. Omdat verweerder heeft bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten, heeft verweerder ook een inreisverbod uitgevaardigd<footnote-ref linkend="_83e3cdbf-0059-4268-a154-59d9dc7e98fa" />. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden dat afgezien zou moeten worden van dit inreisverbod. </para>
    <para />
    <para>2. Eiser is het hier niet mee eens. Over het terugkeerbesluit voert hij aan dat het in principe klopt dat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Volgens eiser kan dit hem echter niet worden verweten, omdat hij vanwege de uitbraak van het corona-virus niet kan terugkeren naar Marokko. Zowel in Nederland als in Marokko is er een lockdown en ligt het vliegverkeer plat. Over het inreisverbod voert hij aan dat hij familie heeft in Nederland en Spanje. Door het inreisverbod kan hij hen gedurende twee jaar niet opzoeken. Volgens eiser heeft verweerder hier onvoldoende rekening mee gehouden bij het uitvaardigen van het inreisverbod. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een terugkeerbesluit en het daaraan gekoppelde inreisverbod heeft uitgevaardigd. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het is tussen partijen niet in geschil dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat op hem de plicht rustte om de Europese Unie te verlaten. In zo’n geval is verweerder verplicht om een terugkeerbesluit uit te vaardigen<footnote-ref linkend="_86363960-8b0a-4235-9749-8271271c362a" />. In de uitbraak van het Corona-virus heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om dit niet te doen. Het enkele feit dat eiser mogelijk door de uitbraak van het Corona-virus niet heeft kunnen vertrekken, leidt niet tot onrechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Daar komt bij dat verweerder de vertrektermijn in individuele gevallen kan verlengen als de vreemdeling in persoon daartoe een aanvraag indient<footnote-ref linkend="_c711c67f-c50a-42a0-8809-cc34c659dc1e" />. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser een dergelijke aanvraag heeft ingediend. Verder zijn er geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eisers verdere verblijf werd gedoogd vanwege de uitbraak van het Corona-virus. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Omdat eiser Nederland moet verlaten én onbestreden is dat een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, heeft verweerder terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om van het inreisverbod af te zien dan wel de duur hiervan te verkorten. Uit het proces-verbaal van gehoor over het inreisverbod van 9 september 2020 blijkt dat eiser is gevraagd naar familieleden in Nederland of ergens anders in de Europese Unie. Eiser heeft daarop alleen verklaard dat hij veel familie heeft in Nederland (tante, zus en neven). Verder is eiser gevraagd of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan zou moeten worden afgezien van het uitvaardigen van een inreisverbod of het verkorten van de duur daarvan. Eiser heeft daarop naar voren gebracht dat in Marokko alles minder is en de daar de omstandigheden slechter zijn geworden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder, met de motivering dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en dat niet is gebleken dat van het uitvaardigen van het inreisverbod zou moeten worden afgezien, deugdelijk gemotiveerd waarom hij een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft uitgevaardigd<footnote-ref linkend="_ea65ccaa-dda5-4228-bd9b-5b33e7da8b75" />.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Gelet op het voorgaande slagen de beroepsgronden niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier													rechter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
  <footnote id="_bc62c01a-1231-4ed5-b09a-8ba5664e49c9" label="1">
    <para> Artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83e3cdbf-0059-4268-a154-59d9dc7e98fa" label="2">
    <para> Op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86363960-8b0a-4235-9749-8271271c362a" label="3">
    <para> Op grond van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c711c67f-c50a-42a0-8809-cc34c659dc1e" label="4">
    <para> Op grond van artikel 62, derde lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 6.3 van het Voorschrift Vreemdelingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea65ccaa-dda5-4228-bd9b-5b33e7da8b75" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:57).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>