<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:15584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-15T14:17:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/4805 en 20/4806</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15584">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:15584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-15T14:16:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:15584 Rechtbank Den Haag , 25-03-2021 / AWB 20/4805 en 20/4806</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15584:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag EU-verblijfsdoc art. 20 VWEU/Chavez-Vilchez. Kind heeft nog niet NLe nationaliteit. Moment van vaststelling NLe nationaliteit te onzeker. Zorg-/opvoedingstaken en afhankelijkheidsrelatie aangetoond. Beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand gelaten</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:15584:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 20/4805 en AWB 20/4806</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 25 maart 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres/verzoekster</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K Elias).  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) van 16 augustus 2019 tot het verlenen van een EU-verblijfsdocument afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020. Eiseres was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Daarnaast heeft als tolk aan de zitting deelgenomen Z. Karem. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe.<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Inleiding </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1986 en heeft de Iraakse nationaliteit. Zij is in 2017 uit Irak gevlucht en heeft asiel aangevraagd in Nederland. Die aanvraag is afgewezen. Terwijl eiseres in Nederland verbleef heeft zij een relatie gekregen met de heer [A] <emphasis role="italic">, </emphasis>die de Nederlandse nationaliteit heeft, en van wie zij in verwachting is geraakt. Op [geboortedatum 2] 2019 werd hun kind, [naam] , geboren. Eiseres heeft vervolgens op 16 augustus 2019 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een EU-verblijfsdocument op basis van het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).<footnote-ref linkend="_b4798297-7f32-4466-8d84-68d4ddfae215" /> Op grond van dit arrest kan een derdelander een verblijfsrecht hebben<footnote-ref linkend="_bae6ff72-7353-4776-a71a-402e64285282" /> als die verzorgende ouder is van een minderjarig Nederlands kind, dat op zo’n manier afhankelijk is van de ouder dat het Nederland zou moeten verlaten als de ouder geen verblijf krijgt. Eiseres stelt dat hiervan sprake is omdat zij zodanige zorgtaken aan [naam] verleent dat hij een afhankelijkheidsrelatie met haar heeft.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat [naam] op het moment dat de aanvraag wordt beoordeeld niet de Nederlandse, maar de Iraakse nationaliteit heeft. In de Basisregistratie Personen (BRP) stond eiseres ten tijde van de geboorte van [naam] namelijk geregistreerd als getrouwd met haar voormalige partner in Irak, zodat [naam] van rechtswege werd geregistreerd als kind van deze man en de Iraakse nationaliteit kreeg. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarde dat eiseres ouder is van een (minderjarig) Nederlands kind. Verder heeft eiseres volgens verweerder niet aangetoond dat zij daadwerkelijk dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht voor haar kind en daarom ook niet dat er sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen hen. </para>
    <para />
    <para>4. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan. Zij stelt dat zij er niet van op de hoogte was dat zij als gehuwd stond geregistreerd in de BRP. Ze is na de afwijzing van haar aanvraag een echtscheidingsprocedure gestart als ook een procedure tot ontkenning van het vaderschap van haar voormalige Iraakse echtgenoot en een daarmee samenhangende vaststelling van het vaderschap van de heer [A] . Op het moment dat verweerder de beslissing op bezwaar heeft genomen zijn beide procedures echter nog niet afgerond. Daarnaast heeft eiseres stukken ingediend ter onderbouwing van haar zorgtaken voor [naam] , maar verweerder vindt dit nog steeds onvoldoende. Daarom heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zorg- en opvoedingstaken en afhankelijkheidsverhouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat zij niet meer in twijfel trekt dat eiseres zorg- en opvoedingstaken voor haar kind verricht en dat er tussen eiseres en haar kind sprake is van aan afhankelijkheidsrelatie. Dit is daarom niet meer in geschil tussen partijen.<?linebreak?></para>
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat de motivering van dit onderdeel van het bestreden besluit onjuist is, en dat eiseres daartegen terecht beroep heeft ingesteld. Wat de gevolgen daarvan zijn voor het besluit in zijn geheel zal de rechtbank hierna beoordelen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Nederlandse nationaliteit </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Eiseres voert aan dat het onredelijk is om de aanvraag af te wijzen omdat [naam] nog niet de Nederlandse nationaliteit heeft, terwijl het duidelijk is dat hij deze gaat krijgen. Daarom heeft zij de rechtbank verzocht om deze zaak aan te houden. De echtscheidingsbeschikking is op 3 juni 2020 door de rechtbank afgegeven en op 28 september 2020 ingeschreven in de BRP. De beschikking tot ontkenning van het vaderschap van haar voormalige Iraakse echtgenoot en erkenning van het vaderschap van de heer [A] is op 15 oktober 2020 afgegeven. Het zal daarom volgens eiseres vanaf de datum van deze zitting nog maar een maand duren, tot 15 januari 2021, voordat [naam] de Nederlandse nationaliteit heeft en daarmee wordt voldaan aan alle voorwaarden voor inwilliging van de aanvraag. Eiseres is de dupe geworden van een eerdere advocaat die beide procedures veel te lang heeft laten liggen, reden waarom zij uiteindelijk is overgestapt naar haar huidige advocaat, anders hadden de procedures al lang afgerond kunnen zijn. Daarbij heeft eiseres nog een rapport van Verilabs overgelegd waaruit blijkt dat de heer [A] de biologische vader is van [naam] en een verklaring van Kraamzorg waaruit blijkt dat zij opnieuw van hem in verwachting is. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond en het daaraan gekoppelde verzoek om aanhouding van eiseres neerkomt op een verzoek om het moment van toetsing van de feiten en omstandigheden te verleggen. Verweerder heeft in eerste instantie getoetst naar het moment van de aanvraag en heeft in bezwaar een heroverweging gemaakt waarbij zij moet toetsen naar de feiten en omstandigheden op de datum van de beslissing op bezwaar. De rechtbank moet toetsen of verweerder haar beslissing op bezwaar terecht heeft kunnen nemen op basis van de feiten en omstandigheden van destijds. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het kind van eiseres op de datum van de beslissing op bezwaar nog niet de Nederlandse nationaliteit heeft, zodat niet wordt voldaan aan alle voorwaarden voor inwilliging van eiseres’ aanvraag. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat er tussen de indiening van bezwaar van eiseres en de datum van de beslissing op bezwaar een aantal maanden heeft gezeten, zodat de termijn daarmee al opgerekt is. Om de aanstaande Nederlandse nationaliteit van [naam] wel mee te kunnen wegen, zou de rechtbank in feite moeten oordelen dat verweerder toekomstige feiten en omstandigheden had moeten meewegen bij haar beoordeling van de aanvraag van eiseres. Zoals verweerder heeft aangegeven, wordt de erkenning van het juridisch vaderschap van de heer [A] door de rechtbank pas op de eerste dag na drie maanden na de vaststelling daarvan doorgestuurd aan de gemeente.<footnote-ref linkend="_a7b6e2fb-4067-4b0e-a80b-08bc1372f7ee" /> Dat zou zijn op 15 januari 2021. Dat wil echter niet zeggen dat [naam] dan ook op die dag meteen de Nederlandse nationaliteit heeft, zoals eiseres stelt. Daarvoor moet eiseres eerst een afspraak bij de gemeente maken, waarbij de heer [A] zijn kind formeel kan erkennen, waarna de nationaliteit van [naam] formeel wordt vastgesteld. Hoe snel alles verloopt, is dus volledig afhankelijk van de snelheid waarmee eiseres een afspraak op het gemeentekantoor kan maken en een ambtelijke beslissing kan worden genomen. Hier kan nog een bepaalde tijd overheen gaan. Daarom vindt de rechtbank de daadwerkelijke vaststelling van de nationaliteit op het moment van de zitting te onzeker en te ver in de toekomst liggen om die mee te nemen bij de beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank heeft begrip voor de ongelukkige situatie waarin eiseres zich bevindt, maar oordeelt dat er geen aanleiding is om de zaak aan te houden. Tot slot merkt de rechtbank op dat dit niet wegneemt dat eiseres een nieuwe aanvraag kan doen. <?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 6 is het beroep wel gegrond voor zover gericht tegen het onderdeel opvoedingstaken en afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar kind, maar omdat verweerder de aanvraag op de juiste gronden heeft afgewezen kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.  </para>
    <para />
    <para>10. Vanwege deze beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaard, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zijn gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt daarom € 1.068,-. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de zorg- en opvoedingstaken en afhankelijkheidsrelatie onvoldoende is geacht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E.H.W. Schierbeek, griffier. De beslissing is uitgesproken op 25 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd om</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">													deze uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier												rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
  <footnote id="_b4798297-7f32-4466-8d84-68d4ddfae215" label="1">
    <para> HvJEU van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bae6ff72-7353-4776-a71a-402e64285282" label="2">
    <para> Ontleend aan artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a7b6e2fb-4067-4b0e-a80b-08bc1372f7ee" label="3">
    <para> Op grond van artikel 4, eerste lid, Rijkswet op het Nederlandschap.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>