<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:12379</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T08:35:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.14422</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:12379">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:12379</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T08:35:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:12379 Rechtbank Den Haag , 14-10-2021 / NL21.14422</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:12379:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Spoedvovo (hangende beroep) / Marokko / visum kort verblijf / belangenafweging / verzoek afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:12379:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>
      <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.14422</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , verzoeker,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>v-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Slutzky).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag om een visum kort verblijf afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar ingediend en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker kennelijk ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend. Dit betekent dat het al ingediende verzoek een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep wordt.<footnote-ref linkend="_bf8b4cff-be37-4493-a9ca-161368985384" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op het verzoek om een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.<footnote-ref linkend="_644e90bb-c77b-4bbd-8080-43bf9f87e072" /></para>
    <para />
    <para>3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van zo’n situatie sprake. Uit wat verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij op korte termijn Nederland wenst in te reizen om zijn zus te ondersteunen in de periode rondom de bevalling. De bevalling, met een keizersnede, staat gepland op 14 oktober 2021. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Verzoeker is geboren op [geboortedag] 1993 en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft verweerder gevraagd hem een visum voor kort verblijf te verlenen om zijn zus te ondersteunen in de periode voor en na haar bevalling. </para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Waar verweerder in het primaire besluit zich op het standpunt stelde dat verzoeker een gevaar vormde voor de volksgezondheid vanwege de coronapandemie, stelt hij dit niet langer in het bestreden besluit. In dit laatste besluit stelt verweerder dat verzoeker het doel en de omstandigheden van zijn verblijf niet heeft aangetoond en zijn voornemen om Nederland tijdig te verlaten niet aannemelijk heeft gemaakt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waarom is verzoeker het niet eens met verweerder?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Verzoeker vraagt de rechtbank het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat verweerder hem een visum kort verblijf verstrekt. In dit kader stelt hij dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat verweerder in reactie op zijn verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar een besluit op het bezwaar heeft genomen en daar andere afwijzingsgronden aan ten grondslag heeft gelegd dan bij het primaire besluit. Daar komt volgens verzoeker bij dat deze afwijzingsgronden het bestreden besluit niet kunnen dragen. Het doel en de omstandigheden van zijn verblijf – te weten de bevalling van zijn zus – heeft hij afdoende met stukken aangetoond. Weliswaar wonen er familieleden in Nederland, maar dit zijn geen directe familieleden en zij hebben niet de band met zijn zus die hij met haar heeft. Zijn zus heeft bij de bevalling hulp en steun nodig en dit blijkt ook uit een stuk van de huisarts. Tot slot stelt verzoeker dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geringe banden met Marokko heeft en hij dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij Nederland tijdig zal verlaten. In dit kader wijst hij erop dat hij werkt als landbouwer, vermogen bezit en de zorg heeft over zijn ouders. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Gelet op het verloop van de procedure beperkt de voorzieningenrechter zich tot een belangenafweging. Reden hiervoor is dat verweerder tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening een besluit op bezwaar heeft genomen en verzoeker daardoor beperkt is in zijn tijd om gronden hiertegen in te dienen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat verweerder in het bestreden besluit nieuwe afwijzingsgronden heeft gebruikt. </para>
    <para />
    <para>8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevraagde voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft, omdat toewijzing tot gevolg heeft dat verzoeker Nederland mag inreizen. Toewijzing van de gevraagde voorziening betekent dat verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Dit terwijl verweerder belang heeft bij het voorkomen van illegale migratie. De voorzieningenrechter dient dan ook terughoudend te zijn om in een dergelijk geval een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat hoewel de wens van verzoeker om zijn zus te ondersteunen in de periode rondom haar bevalling begrijpelijk is, dit geen omstandigheid oplevert op grond waarvan het belang van verzoeker moet prevaleren boven het belang van verweerder. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat uit het dossier niet blijkt dat de aanwezigheid van verzoeker in deze periode rondom de bevalling noodzakelijk is en niet is onderbouwd dat zijn zus tijdens deze periode geen hulp kan krijgen van andere familieleden (waarvan sommigen ook woonachtig zijn in Nederland), vrienden of derden. Dit alles maakt dat de belangenafweging in het nadeel van verzoeker uitvalt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para>10. Verweerder hoeft verzoeker geen proceskosten te vergoeden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.R. Kroes, griffier. De beslissing is partijen op 14 oktober 2021 telefonisch medegedeeld.</para>
      <para>Het dictum is reeds 14 oktober 2021 aan partijen meegedeeld, de uitspraak is verder bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_bf8b4cff-be37-4493-a9ca-161368985384" label="1">
    <para> Zie artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_644e90bb-c77b-4bbd-8080-43bf9f87e072" label="2">
    <para> Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>