<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:11944</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-18T09:00:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 21/6315</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11944">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11944</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-04T13:33:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:11944 Rechtbank Den Haag , 04-11-2021 / SGR 21/6315</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:11944:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. Financiële situatie van de onderneming is onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Niet gebleken dat het gestelde verlies leidt tot een acute financiële situatie. Afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:11944:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 21/6315</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 november 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [verzoeker] h.o.d.n. [h.o.d.n.]</emphasis>, te [vestigingsplaats] , verzoeker</para>
        <para>(gemachtigde: mr. Z.M. Nasir),</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van Gouda, verweerder(gemachtigde: mr. J.L. van den Dool). </bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 28 september 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een exploitatievergunning voor het aanbieden en gebruiken van waterpijpen in de horeca-inrichting afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 november 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op 26 januari 2018 heeft verweerder bepaald dat het gebruik van waterpijpen in de horeca alleen onder voorwaarden is toegestaan.<footnote-ref linkend="_8d8eed01-1756-4fa4-9688-48a78dc8ff43" /> Uiterlijk 1 februari 2021 moeten alle horeca-inrichtingen waar waterpijpen worden aangeboden een nieuwe vergunning hebben. Verzoeker heeft op 4 maart 2021 een vergunning aangevraagd.</para>
    <para />
    <para>2. In de Beleidsregels staan voorwaarden waar de horeca-inrichtingen die waterpijpen aanbieden aan moeten voldoen. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen omdat het eetcafé/lounge van verzoeker niet voldoet aan deze voorwaarden. Verzoeker is het hier niet mee eens en vraagt de voorzieningenrechter om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar en verweerder op te dragen de gevraagde vergunning te verlenen dan wel verzoeker in afwachting van de behandeling van het bezwaar te behandelen alsof hij de vergunning heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden verzoeker en verweerder?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Verzoeker stelt spoedeisend belang te hebben omdat hij niet langer waterpijpen mag aanbieden en hierdoor 25% van zijn omzet kwijtraakt. Bovendien trekken waterpijpen publiek aan die het een en ander nuttigen in het eetcafé/lounge. Zonder waterpijpen te mogen aanbieden kan geen winst worden gemaakt. Ter onderbouwing hiervan overlegt verzoeker een verklaring van de boekhouder, omzetcijfers uit 2018 en 2019 en een bankafschrift. Verder voert verzoeker aan dat de huidige vergunning reeds het aanbieden van waterpijpen dekt, er geen sprake is van overlast en de weigering in strijd is met de rechtszekerheid.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het gaat in deze zaak om een verzoek om voorlopige voorziening. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige maatregel als ‘onverwijlde spoed’, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.<footnote-ref linkend="_49439a43-23cf-4159-b059-26b15d558f6e" /> Van onverwijlde spoed is onder meer sprake als er een onomkeerbare situatie dreigt, in dit geval kan de voortzetting van de onderneming in gevaar zijn.</para>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omstandigheden geen spoedeisend belang opleveren. Van een onomkeerbare situatie of dat de voortzetting van de onderneming in gevaar is, is niet gebleken. Daarbij is van belang dat volgens vaste rechtspraak een louter financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dat in het geval van verzoeker sprake is van een acute financiële noodsituatie, die zou moeten leiden tot het maken van een uitzondering op die hoofdregel, is niet gebleken. Verzoeker heeft gewezen op de overgelegde winst- en verliesrekening over het jaar 2019 en de stukken van de boekhouder, waaruit zou moeten blijken dat hij minstens 25% van zijn omzet zal kwijtraken als hij geen waterpijpen meer mag aanbieden, maar hiermee is niet inzichtelijk gemaakt of dit gestelde verlies ook leidt tot een acute financiële noodsituatie. Verzoeker is er niet in geslaagd om met de overgelegde stukken aannemelijk te maken dat het gestelde verlies op korte termijn dermate groot is dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Bovendien heeft verzoeker het omzetverlies enkel gebaseerd op de omzetcijfers van 2019 en heeft hij geen stukken overgelegd van de omzet in 2017, 2020 of 2021. De stelling van verzoeker dat hij zijn gedane investeringen, gericht op het aanbieden van waterpijpen, nog niet heeft terugverdiend en dit de komende jaren ook niet kan terugverdienen, is onvoldoende met stukken onderbouwd. Daarnaast mag van verzoeker worden verwacht om eventueel verlies zoveel mogelijk te beperken. Verzoeker mag op basis van zijn bestaande exploitatievergunning immers nog steeds een eet- en drinkgelegenheid exploiteren.</para>
    <para />
    <para>7. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de conclusie dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft. Het verzoek wordt daarom afgewezen.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.G.A. Verhoeven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_8d8eed01-1756-4fa4-9688-48a78dc8ff43" label="1">
    <para> De Beleidsregels gebruik waterpijpen in de Horeca 2018 (de Beleidsregels).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_49439a43-23cf-4159-b059-26b15d558f6e" label="2">
    <para> Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>