<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:11544</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-28T15:09:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/1639</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11544">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11544</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-28T15:08:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:11544 Rechtbank Den Haag , 28-06-2021 / AWB 20/1639</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:11544:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afsluitingsregeling langdurig verblivjende kinderen. contra-indicatie a. Artikel 8 EVRM. 4:84 AWB. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:11544:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
      <para>
        <?linebreak?>zaaknummer: AWB 20/1639</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , </bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 2]
        </emphasis>, V-nummer: [V-nummer 2] ,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 3] alias [alias]</emphasis> V-nummer: [V-nummer 3] ,</para>
      <para>eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.P.G.H. Belluz).<?linebreak?></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Bij besluit van 7 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen afgewezen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 31 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van AWB 19/9284, via Skypeverbinding plaatsgevonden op 18 mei 2021. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eisers hebben een onbekende nationaliteit. Zij willen verblijf op grond van de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen (de Afsluitingsregeling). [eiser 1] is de hoofdpersoon, [eiser 2] zijn zusje en [vader] de vader. Gebleken is dat de hoofdpersoon in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning regulier. Eisers willen met deze procedure bereiken dat hun vader in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan voorwaarde b van de Afsluitingsregeling en daarnaast (ten aanzien van de vader) sprake is van contra-indicatie a en b. Tenslotte is uitzetting volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_9e4c7e36-8782-4d04-bf9f-d45a491456ec" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Wat vinden eiser en verweerder in beroep?</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>4. Eisers zijn het niet eens met het besluit. Zij doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel en menen dat voorwaarde b van de Afsluitingsregeling ten onrechte aan hen is tegengeworpen. Ook werpt verweerder ten onrechte contra-indicatie a en b tegen. Verder heeft verweerder nagelaten alle omstandigheden te betrekken bij de toets aan artikel 8 van het EVRM en bij de mogelijkheid van artikel 4:84 van de Awb<footnote-ref linkend="_382e3ad8-69eb-4e2a-be68-bc440667a68f" /> om van het beleid af te wijken. Tot slot heeft verweerder ten onrechte eisers niet gehoord. </para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Contra-indicatie a van de Afsluitingsregeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Uit het beleid van verweerder volgt dat een vergunning op basis van de Afsluitingsregeling niet wordt verleend als bij de hoofdpersoon of een gezinslid op het moment van de beoordeling sprake is van de contra-indicatie onder a, te weten dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid.<footnote-ref linkend="_01e56f85-3c97-430e-93c1-c5528eb081db" /> Niet wordt betwist dat vader deel uitmaakt van het gezin en dat hem bij besluit van 14 november 2006 artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. Deze vaststelling is van feitelijke aard. Dat de asielprocedure van de vader waarin hij om opheffing van artikel 1F heeft verzocht, nog niet is beëindigd, doet aan vorenstaande niet af. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden deze contra-indicatie a tegengeworpen. Nu eisers reeds om deze reden niet voldoen aan de voorwaarden van de Afsluitingsregeling, hoeft al hetgeen door eisers is aangevoerd met betrekking tot voorwaarde b en contra-indicatie b niet te worden besproken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 8 van het EVRM. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM. Afweging van alle aangevoerde omstandigheden levert geen schending van dit artikel op. Verwezen wordt naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 juni 2021 van de vader met procedurenummer AWB 19/9284.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">4:84 van de Awb</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Het beroep van eisers op artikel 4:84 van de Awb, waarbij wordt verwezen naar twee uitspraken, wordt door de rechtbank niet gevolgd.<footnote-ref linkend="_ea8d4d2f-7392-43bf-94b4-87e1078864fa" /> Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden alsmede alle belangen voldoende betrokken en meegewogen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als direct duidelijk is dat de bezwaren niet tot een andere beslissing kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eisers daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Het beroep is ongegrond. </para>
    <para />
    <para>11. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.P. Deventer, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>RELEVANTE WETSARTIKELEN:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vreemdelingencirculaire 2000</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>paragraaf B9/6.5 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>(...)</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag uiterlijk op de peildatum (29 januari 2019) ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(...); én</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>(...).</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ad b.</para>
      <para>De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.</para>
      <para>(…)”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Paragraaf B9/6.6 </para>
      <para>“De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid op het moment van de beoordeling sprake is van de volgende contra-indicaties:</para>
      <para>a<emphasis role="bold">. </emphasis>de vreemdeling vormt een gevaar voor de openbare orde (inclusief artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) of de nationale veiligheid;</para>
      <para>b<emphasis role="bold">. </emphasis>de vreemdeling is al houder van een verblijfsvergunning;</para>
      <para>c. (…)</para>
      <para>d. (…) </para>
      <para>e. (…)</para>
      <para>f. (…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ad a.</para>
      <para>De IND verleent de verblijfsvergunning niet als de vreemdeling of één van de gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval als:</para>
      <para> <emphasis role="bold">(…)</emphasis>; of</para>
      <para> bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vluchtelingenverdrag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[...]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>F De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;</para>
    <para />
    <para>b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9e4c7e36-8782-4d04-bf9f-d45a491456ec" label="1">
    <para> Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_382e3ad8-69eb-4e2a-be68-bc440667a68f" label="2">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_01e56f85-3c97-430e-93c1-c5528eb081db" label="3">
    <para> Zie paragraaf B9/6.6 van de Vreemdelingencirculaire <emphasis role="underline">2000</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea8d4d2f-7392-43bf-94b4-87e1078864fa" label="4">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 15 september 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:6935)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>