<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:11328</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-18T13:27:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.461</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11328">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11328</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-18T13:22:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:11328 Rechtbank Den Haag , 09-02-2021 / NL21.461</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:11328:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Frankrijk, EAB Duitsland, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:11328:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht, Locatie Amersfoort</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht zaaknummer: NL21.461</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL21.462 plaatsgevonden op 26 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De Franse autoriteiten hebben ingestemd met deze verantwoordelijkheid.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser ziet niet in dat en waarom strafrechtelijke signaleringen niet in de weg staan aan zijn overdracht aan Frankrijk. Verweerder werpt zelf een feitelijke belemmering op voor overdracht aan Frankrijk door opvolging te geven aan het Europees arrestatiebevel (EAB) dat door Duitsland is uitgevaardigd en eiser over te leveren aan Duitsland voordat een beslissing is genomen op zijn asielverzoek of voordat deze beslissing in rechte is komen vast te staan. Dit lijkt niet in overeenstemming met de Dublinverordening en de bedoelingen</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>van de Europese wetgever. Daarbij had verweerder Frankrijk bij het indienen van de claim juist en volledig dienen te informeren over het EAB van Duitsland, wat ook volgt uit het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De enkele stelling dat de Franse autoriteiten toegang hebben tot het Schengen-Informatiesysteem en daarom op de hoogte zouden kunnen zijn van het EAB doet hieraan niet af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank overweegt allereerst dat de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek van eiser in de Dublinprocedure en de procedure omtrent een EAB, twee gescheiden procedures zijn. Dat voor eiser een EAB is uitgevaardigd door Duitsland staat dus los van de vaststelling van Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat voor het asielverzoek van eiser. Verweerder heeft dit voldoende gemotiveerd in het bestreden besluit. Verweerder heeft ter zitting verder toegelicht dat hij conform paragraaf A3/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 handelt en niet iemand uitzet in het kader van de Dublinprocedure tot uitspraak is gedaan in de procedure omtrent het EAB. Er is een zitting geweest in het kader van het EAB en de uitspraak werd verwacht op 26 januari 2021. Wanneer de rechtbank toestemt met de uitlevering van eiser, zal hij binnen tien dagen na die uitspraak worden overgeleverd aan Duitsland. Dat eiser in dat geval mogelijk niet aan Frankrijk overgedragen kan worden, ziet op de feitelijke overdracht en dit doet niets af aan de verantwoordelijkheid van Frankrijk om het asielverzoek van eiser te behandelen.</para>
    <para />
    <para>4. Verder overweegt de rechtbank dat het EAB is uitgevaardigd op</para>
    <para>12 november 2020. Ten tijde van het claimverzoek aan Frankrijk, op 30 oktober 2020, was het EAB nog niet uitgevaardigd en verweerder had dit dus ook nog niet had kunnen melden in het claimverzoek. Ook daarna was verweerder niet gehouden om Frankrijk te informeren over het EAB door Duitsland, omdat verweerder terecht stelt dat de Franse autoriteiten dit in de internationale systemen kunnen terugvinden. Verweerder had dit dan ook niet actief nog hoeven te melden.</para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="a8f5212f-70a8-4661-af9b-79215d8e33a3" depth="82" width="251" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="b2332071-ba01-40ac-933f-3c58d9be8590" depth="82" width="2" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>09 februari 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    <parablock>
      <para />
      <para>Mr. M. Eversteijn	T.R. Vos</para>
      <para>Rechter	Griffier</para>
      <para>Rechtbank Midden-Nederland	Rechtbank Midden-Nederland</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Documentcode: [documentcode]</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling</para>
      <para>bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>