<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:11204</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-21T10:44:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.12722</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11204">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:11204</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-21T10:44:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:11204 Rechtbank Den Haag , 29-09-2021 / NL21.12722</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:11204:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>internationale bescherming Cyprus - interstatelijk vertrouwensbeginsel - beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:11204:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats 's-Gravenhage</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL21.12722</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, eiser</para>
    <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
    <para>(gemachtigde: mr. T. Neijzen),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder</para>
    <para>(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">Procesverloop </emphasis>
      <?linebreak?>Bij besluit van 4 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. <?linebreak?>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de zaak NL21.12723, plaatsgevonden op 15 september 2021 via een Skype-verbinding. Beide partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Overwegingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. Eiser, die stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Syrische nationaliteit te hebben, komt volgens verweerder hier niet in aanmerking voor asiel omdat hij sinds 18 september 2017 internationale bescherming heeft in Cyprus en er van kan worden uitgegaan dat Cyprus zijn verdragsverplichtingen nakomt. </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>2. <?linebreak?>Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser stelt dat zijn verblijfsvergunning in Cyprus is verlopen en dat verweerder er dus niet vanuit kan gaan dat eiser nog bescherming heeft in Cyprus. Hierbij is van belang dat de vergunningen van zijn familie ook niet zijn verlengd. Verder betoogt eiser dat verweerder ten opzichte van Cyprus niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat hij bij terugkeer in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_5985492a-c8cc-4e56-9675-aba51b603b78" /> en artikel 4 van het Handvest<footnote-ref linkend="_f669a070-32f6-431b-b95a-064d21682033" />. </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank ?</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Internationale bescherming in Cyprus</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Allereerst is tussen partijen in geschil of eiser nog internationale bescherming heeft in Cyprus. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_8debafac-903d-4257-b184-df524bbc02d5" /> volgt dat verweerder in beginsel af mag gaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Daarvoor is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Ook dient uit de informatie duidelijk te worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Indien het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende recent is dan wel onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, dient verweerder nader onderzoek te doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning dan wel een andere toestemming tot verblijf beschikt.<footnote-ref linkend="_caa4e4ce-d6fd-45e5-a35b-9c32ecb1a69b" /><?linebreak?>3.2	De rechtbank stelt vast dat uit het onderzoek van verweerder in het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 18 september 2017 internationale bescherming heeft gekregen van Cyprus. Dit betwist eiser ook niet. Het tijdsverloop tussen het onderzoek in het Eurodac-systeem en het bestreden besluit is zodanig kort dat verweerder er in beginsel vanuit mag gaan dat de in het Eurodac-systeem opgenomen informatie ten tijde van het bestreden besluit nog steeds actueel was.  <?linebreak?>3.3	De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij geen bescherming meer heeft in Cyprus, omdat zijn verblijfsvergunning op 5 augustus 2021 zou zijn verlopen. De rechtbank stelt voorop dat eiser dit niet heeft onderbouwd. Verder acht de rechtbank van belang dat het eventueel verlopen van een verblijfsvergunning niet zonder meer betekent dat de aan eiser verstrekte beschermingsstatus is beëindigd.<footnote-ref linkend="_56cc186a-f446-4a47-b36a-e677973b7b9d" /> Eisers stelling dat het hem niet is gelukt om bij de Cypriotische autoriteiten een afspraak te maken voor het verlengen van zijn verblijfsvergunning, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft ook dit niet onderbouwd, waardoor niet is gebleken dat hem geen verlenging van zijn verblijfsvergunning kan worden verleend.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Interstatelijk vertrouwensbeginsel</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat Cyprus de verdragsverplichtingen uit hoofde van bijvoorbeeld artikel 3 van het EVRM naleeft. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat Cyprus zijn internationale verplichtingen in het algemeen niet nakomt jegens statushouders. Eiser heeft geen algemene informatie overgelegd om zijn stelling op dit punt te staven, terwijl dit wel op zijn weg lag.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Daarnaast heeft eiser ook met zijn persoonlijk relaas niet aannemelijk gemaakt dat de Cypriotische autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij nooit dan wel onvoldoende steun heeft gekregen van de Cypriotische autoriteiten, maar hij heeft dit niet onderbouwd. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij om hulp heeft gevraagd dan wel geklaagd heeft bij de hogere Cypriotische autoriteiten. Dat eiser voor de gestelde problemen in Cyprus niet bij de Cypriotische autoriteiten terecht kan, is dan ook niet gebleken. Dit geldt ook voor de discriminatie die eiser met zijn familie stelt te hebben ervaren. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr.J.F.A. Bleichrodt, griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para />
        <para>
          <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
        </para>
        <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_5985492a-c8cc-4e56-9675-aba51b603b78" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f669a070-32f6-431b-b95a-064d21682033" label="2">
    <para> Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8debafac-903d-4257-b184-df524bbc02d5" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_caa4e4ce-d6fd-45e5-a35b-9c32ecb1a69b" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56cc186a-f446-4a47-b36a-e677973b7b9d" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 december 2020, met zaaknummer NL20.3794.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>