<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:10749</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-06T15:08:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/069612-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10749">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:10749</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-06T15:04:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:10749 Rechtbank Den Haag , 28-09-2021 / 09/069612-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:10749:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beleidssepot. Verzoek 530-533 Sv afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:10749:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Strafrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:	09/069612-21</para>
    <para>Raadkamernummer: RK21/1172</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>
        [geboortedatum] 1997 te '[geboorteplaats],</para>
      <para>voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn advocaat <?linebreak?>mr. H.W. van Eeuwijk, adres: Laan van Nieuw Oost-Indië 125, 2509 GA te <?linebreak?>’[geboorteplaats], </para>
      <para>hierna: verzoeker.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De procedure in raadkamer</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dit verzoek op 14 september 2021 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van (een deel van) het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.</para>
      <para>Verzoeker is - hoewel goed opgeroepen - niet in raadkamer verschenen; wel aanwezig was zijn advocaat, mr. van Eeuwijk.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het verzoek</title>
    <para>Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding van € 2084,22 ten laste van de Staat voor de kosten van de raadsvrouw en € 680,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het standpunt van de officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat er geen gronden van billijkheid zijn om de gevraagde kosten te vergoeden. Er is geen sprake van een zaak die onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel. Dat de zaak destijds is geseponeerd, maakt niet dat alle vergoedingen moeten worden toegekend.  </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het standpunt van verzoeker</title>
    <para>Namens de verzoeker heeft mr. Van Eeuwijk bij de behandeling van het verzoek in raadkamer aangevoerd dat ook bij een beleidssepot de kosten van rechtsbijstand in de strafzaak voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank mag in raadkamer niet alsnog een oordeel geven over de schuld of onschuld van de verdachte, omdat dit in strijd is met de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, EVRM (onder verwijzing naar Rb. Amsterdam 23 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2271). </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de rechtbank </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordelingskader</emphasis>
      </para>
      <para>Aan een gewezen verdachte kan een vergoeding worden toegekend voor schade of gemaakte kosten als een strafzaak eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel of met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Vergoeding vindt alleen dan plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Het voorgaande betekent enerzijds dat in geval van schade of gemaakte kosten als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beantwoording van de vraag of gronden van billijkheid aanwezig zijn, dient de rechter te beoordelen of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. In de wetsgeschiedenis is daarbij onder meer opgemerkt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">De grondslag voor de vergoeding (…) houdt verband met de omstandigheid dat de voorlopige detentie achteraf, d.w.z. op het tijdstip van de uitspraak van de rechter, op grond van inmiddels aan het licht gekomen gegevens onjuist blijkt te zijn geweest, doordat hetzij niet is gebleken dat de verdachte het hem telastgelegde feit heeft begaan, hetzij voor het feit waarvoor hij wèl is veroordeeld, voorlopige hechtenis - en dus ook inverzekeringstelling - niet door de wet is toegestaan. (…) </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De thans geldende regeling belet de rechter, door het gebruik van het woord "tegemoetkoming", een volledige vergoeding van de geleden schade toe te kennen. Het ontwerp vervangt deze term door "schadevergoeding", teneinde aan te geven dat, indien de rechter deze billijk acht, algehele vergoeding mogelijk is. Zo'n geval kan zich met name voordoen, indien op iemand door omstandigheden, buiten hem zelf gelegen, zonder dat hem enige schuld treft, de verdenking is gevallen</emphasis>.”<footnote-ref linkend="_5b15638c-2b2f-41e0-a0cb-0115912ae9dd" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oordeelsvrijheid van de rechter wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM. In het geval dat een zaak is geëindigd met een sepot, is het tot uitdrukking brengen van vermoedens van schuld in beginsel niet strijdig met de onschuldpresumptie en staat het de raadkamer tevens vrij te verwijzen naar een motivering van de beslissing in de strafzaak, telkens zolang het oordeel van de raadkamer niet alsnog in essentie een vaststelling van schuld behelst.<footnote-ref linkend="_d7ac173f-a39b-49d1-b459-7430d13f1a97" /> Daarbij kan de rechter onder in aanmerking nemen de omstandigheid dat jegens de verdachte een bepaalde mate van verdenking bestond.<footnote-ref linkend="_fe08c8c4-25e3-4edd-96ad-1ffa41e57a42" /> Ook kan gewicht worden toegekend aan de proceshouding van de verdachte en in hoeverre de verdachte de gemaakte kosten of voorlopige hechtenis "aan zijne eigen houding te wijten heeft".<footnote-ref linkend="_e2cc2912-7567-44ab-9ac0-74e9091f8a9c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt tot slot op dat de raadkamerprocedure naar haar aard niet geschikt is om een (geseponeerde) strafzaak inhoudelijk te beoordelen. In deze procedure heeft de gewezen verdachte immers niet de mogelijkheid om zich adequaat te verdedigen (bijvoorbeeld door het horen van getuigen). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Toepassing op deze zaak</emphasis>
      </para>
      <para>Uit het procesdossier blijkt dat tegen verzoeker een verdenking is gerezen van (poging tot zware) mishandeling. Het dossier bevat onder meer verschillende getuigenverklaringen die wijzen in de richting van verzoeker. De rechtbank concludeert op grond van deze processtukken dat jegens verzoeker een stevige verdenking bestond, op grond waarvan verzoeker als verdachte werd aangemerkt in een strafrechtelijk onderzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De strafzaak tegen verzoeker is vervolgens geëindigd door middel van een sepotbeslissing van de officier van omdat het aandeel van verzoeker in het geheel gering zou zijn. Dit betekent dat de strafzaak ten einde is gekomen om redenen van opportuniteit en niet bij gebrek aan bewijs. Daarom kan niet worden gezegd dat het hier gaat om een geval waarvoor de schadevergoedingsregeling is bedoeld, namelijk (kort gezegd) het vergoeden van kosten die achteraf gezien ten onrechte zijn gemaakt. Er zijn in dit geval geen gronden van billijkheid aanwezig voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten die verzoeker in de strafzaak heeft gemaakt. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan te Den Haag door mr. B.A. Sturm, rechter, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. Ö. Aydin, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_5b15638c-2b2f-41e0-a0cb-0115912ae9dd" label="1">
    <para> Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 1 en 3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d7ac173f-a39b-49d1-b459-7430d13f1a97" label="2">
    <para> Hof Amsterdam 10 augustus 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2442. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fe08c8c4-25e3-4edd-96ad-1ffa41e57a42" label="3">
    <para> EHRM 25 augustus 1987, nr. 10282/83 (Englert/Duitsland), EHRM 25 augustus</para>
    <para>1987, nr. 10300/83 (Nölkenbockhoff/Duitsland), EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82, (Lutz/Duitsland) en EHRM 26 januari 1999, nr. 38087/97 (Hibberts/Nederland). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2cc2912-7567-44ab-9ac0-74e9091f8a9c" label="4">
    <para> HR 19 februari 2013, NJ 2013/402. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>