<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-10T10:48:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20 / 77</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:966">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:966</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-07T11:58:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:966 Rechtbank Den Haag , 28-01-2020 / AWB 20 / 77</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:966:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek voorlopige voorziening, bevoegdheid</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:966:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AWB 20/77 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam] , verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Oukil,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers, verweerder,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij brief van 20 december 2019 aan verzoekster laten weten dat op 17 januari 2020 de aan haar verleende verstrekkingen zullen worden stopgezet en dat zij de opvanglocatie dient te verlaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft hiertegen op 6 januari 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mondelinge behandeling ter zitting is met toepassing van 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) achterwege gelaten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het mogelijk om een voorlopige voorziening te vragen aan de voorzieningenrechter indien vooraf beroep is ingesteld bij de rechtbank of bezwaar is gemaakt en de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het beroep, dan wel bevoegd wordt nadat op het bezwaar is beslist<footnote-ref linkend="_40998356-bc48-4fd0-9546-3e9b0e51cdd5" />. Op grond van de Awb is beroep en voorafgaand bezwaar mogelijk tegen een besluit in de zin van die wet, te weten een op rechtsgevolg gerichte schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan<footnote-ref linkend="_7d606d92-a58b-4f36-9ad2-6a8f55d3872e" />. </para>
    <para />
    <para>2. In artikel 3 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) is bepaald dat het COA<footnote-ref linkend="_66351e69-b452-4f9e-bd0e-4ba2a2e8a5f1" /> voorziet in de opvang van de aldaar genoemde categorieën asielzoekers.</para>
    <para />
    <para>3. Verzoekster heeft opvang gehad als asielzoekster. Haar asielaanvraag is afgewezen. De rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het beroep daartegen op 17 juli 2018 gegrond verklaard. Daarbij is het bestreden besluit vernietigd, voor zover het ging om het terugkeerbesluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak op 21 augustus 2018 bevestigd. Aldus is komen vast te staan dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. In zoverre behoort zij niet (meer) tot één van de categorieën genoemd in artikel 3, tweede en derde lid, van de Rva 2005. </para>
    <para />
    <para>4. Verzoekster komt verder niet langer in aanmerking voor opvang als partner van een asielzoeker. Uit het overgelegde besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 22 augustus 2019 blijkt dat de partnerafhankelijke verblijfsvergunning van verzoekster op 23 maart 2017 is ingetrokken.</para>
    <para />
    <para>5. Verzoekster heeft op 3 mei 2018 gevraagd om wijziging van de aan haar verblijfsvergunning verbonden beperking in ‘humanitair niet-tijdelijk’. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij zijn afwijzing van deze aanvraag op 11 januari 2019 tevens een nieuw terugkeerbesluit genomen, waarbij verzoekster een vertrektermijn van vier weken is geboden. Het bezwaar van verzoekster is op 22 augustus 2019 ongegrond verklaard. Hiertegen loopt nog een beroepsprocedure bij de rechtbank. Een en ander vormt echter geen grondslag voor het doen van opvangverstrekkingen. Verzoekster valt hiermee immers niet onder een van de categorieën vreemdelingen genoemd in artikel 3 van de Rva 2005. </para>
    <para />
    <para>6. Aangezien de asielaanvraag van verzoekster onherroepelijk is afgewezen en de vertrektermijn genoemd in het terugkeerbesluit van 11 januari 2019 begin februari 2019 is verstreken, als gevolg waarvan verzoekster uitzetbaar is, volgt uit artikel 5 van de Rva 2005 dat de opvang van verzoekster van rechtswege is geëindigd.</para>
    <para />
    <para>7. Voor zover verzoekster stelt dat zij als slachtoffer van huiselijk geweld buiten het Rva 2005 om in aanmerking dient te komen voor opvang, geldt dat niet is gebleken van een hiervoor door verzoekster ingediende aanvraag bij het COA.</para>
    <para />
    <para>8. Dat betekent dat de brief van het COA van 20 december 2019 waarin het stopzetten van de verstrekkingen aan verzoekster wordt meegedeeld naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtsgevolgen oproept en dus geen besluit is in de zin van de Awb. De omstandigheid dat de opvang en verstrekkingen door COA tot voor kort feitelijk zijn gecontinueerd leidt niet tot een andere conclusie. Verzoekster heeft hieraan geen rechten kunnen ontlenen.</para>
    <para />
    <para>9. Vooralsnog is de conclusie dan ook dat de rechtbank niet bevoegd is om te oordelen over de beëindiging van de opvang aan verzoekster. Op grond hiervan zal ook de voorzieningenrechter zich kennelijk onbevoegd verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat om die reden geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_40998356-bc48-4fd0-9546-3e9b0e51cdd5" label="1">
    <para> Artikel 8:81 van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d606d92-a58b-4f36-9ad2-6a8f55d3872e" label="2">
    <para> Artikelen 8:1, 7:1 en 1:3 van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_66351e69-b452-4f9e-bd0e-4ba2a2e8a5f1" label="3">
    <para> Centraal Orgaan opvang asielzoekers</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>