<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:9057</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-17T16:24:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20.14669</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:9057">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:9057</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-17T16:22:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:9057 Rechtbank Den Haag , 17-09-2020 / 20.14669</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:9057:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Statushouder Duitsland. Intrekkingsbesluit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:9057:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL20.14669</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. Eliya),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 28 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.14670, plaatsgevonden op 2 september 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Shamoun. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 31 mei 2020 in Nederland een asielverzoek ingediend.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Daartoe voert verweerder aan dat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 25 september 2017 internationale bescherming heeft verkregen in Duitsland. Verweerder heeft op 23 juni 2020 een verzoek om informatie overeenkomstig artikel 34 van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_e80db576-bcb0-4392-91c4-8ca00c5fcac6" /> bij de Duitse autoriteiten ingediend. Uit dit onderzoek volgt nogmaals dat eiser sinds 25 september 2017 internationale bescherming geniet in Duitsland en dat aan eiser een verblijfsvergunning is verstrekt die geldig was tot 27 maart 2020. Uit verdere navraag bij de Duitse autoriteiten op 23 juli 2020 blijkt niet dat die vergunning is ingetrokken of dat eiser in Duitsland geen verblijfsrecht meer heeft. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij niet langer internationale bescherming in Duitsland geniet, omdat hij op 19 november 2018 Duitsland vrijwillig is uitgereisd om zijn vrouw in Syrië te kunnen bezoeken. Daarop heeft de gemeente Münster hem op 11 mei 2020 laten weten dat zijn Duitse vluchtelingenstatus en zijn verblijfsvergunning zijn komen te vervallen. Verweerder dient daarom nader onderzoek te doen naar eisers verblijfsrechtelijke status bij terugkeer.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State<footnote-ref linkend="_b2bc79f9-221e-42a3-aa7a-f66bc23182b3" /> (hierna: de Afdeling) volgt dat het verlenen van de subsidiaire beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land of staatloze moet worden onderscheiden van het verstrekken van een verblijfstitel aan personen met een dergelijke status. Hoewel de geldigheid van een verblijfstitel kan worden beperkt, kan hieruit niet worden afgeleid dat met het verlopen van de geldigheidsduur van een aan een vreemdeling verstrekte verblijfstitel ook de aan een vreemdeling verstrekte beschermingsstatus eindigt. Een dergelijke uitleg zou immers het risico met zich brengen dat een vreemdeling die niet tijdig om verlenging van de aan hem verstrekte verblijfstitel heeft verzocht, reeds daarom zou kunnen worden uitgezet naar zijn land van herkomst. </para>
    <para />
    <para>5. Niet is in geschil dat de Duitse autoriteiten op 25 september 2017 aan eiser de asielstatus hebben verleend. Voorts is niet in geschil dat eiser op 19 november 2018 Syrië is ingereisd en op 22 december 2019 Syrië is uitgereisd. In geschil is of eiser nog altijd internationale bescherming geniet in Duitsland.</para>
    <para />
    <para>6. Uit de artikelen 14, tweede lid, en 19, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn<footnote-ref linkend="_9855caa9-070f-4ad3-8727-41771af7c080" /> volgt dat internationale beschermingsstatus alleen eindigt na een individuele beoordeling. In Duitsland is het <emphasis role="italic">Bundesambt für Migration und Flüchtelinge </emphasis>(BAMF) de bevoegde instantie om een status te verlenen of een verleende status in te trekken. Anders dan eiser heeft betoogd, is uit de door hem overgelegde brief van de gemeente Münster van 11 mei 2020 niet gebleken dat de Duitse autoriteiten zijn vluchtelingenstatus hebben ingetrokken of beëindigd, aangezien de gemeente niet de daartoe bevoegde instantie is. Bovendien hebben de Duitse autoriteiten uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven dat eiser nog altijd internationale bescherming geniet in Duitsland. Dat er een intrekkingsprocedure loopt, doet niet af aan het voorgaande aangezien er geen sprake is van een (expliciet en rechtsgeldig) intrekkingsbesluit.</para>
    <para />
    <para>7. Het ligt daarnaast op de weg van eiser om eventuele bezwaren tegen de door de gemeente Münster aangekondigde intrekking kenbaar te maken bij de Duitse (hogere) autoriteiten. Eiser heeft niet met objectieve informatie aannemelijk gemaakt dat klagen voor hem niet mogelijk is, dan wel bij voorbaat zinloos. </para>
    <para>8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij geen sterke binding heeft met Duitsland in de zin van artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Nu vaststaat dat eiser nog altijd internationale bescherming in Duitsland geniet, heeft verweerder, gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling<footnote-ref linkend="_e6b4f640-670a-446a-a32e-7e0835ea5858" />, terecht aangenomen dat eiser een zodanige band met Duitsland heeft dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan.</para>
    <para />
    <para>9. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.H. de Zeeuw, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_e80db576-bcb0-4392-91c4-8ca00c5fcac6" label="1">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2bc79f9-221e-42a3-aa7a-f66bc23182b3" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253 en van 18 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1971</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9855caa9-070f-4ad3-8727-41771af7c080" label="3">
    <para> Richtlijn 2011/95/EU</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6b4f640-670a-446a-a32e-7e0835ea5858" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1606</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>