<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:8427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-31T15:07:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL 20.739 en NL 20.740</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8427">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-31T15:07:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:8427 Rechtbank Den Haag , 24-01-2020 / NL 20.739 en NL 20.740</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:8427:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asielaanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat eiser niet geloofwaardig heeft verklaard over het afstand doen van de islam  en zijn  bekering tot het christendom.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:8427:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>uitspraak </para>
  <section>
    <title>RECHTBANK DEN HAAG </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats  Amsterdam </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL20.739 en NL20.740 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [eiser] , eiser/verzoeker (eiser), </para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]   </para>
      <para>(gemachtigde:  [naam] ), </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder </para>
      <para>(gemachtigde: [naam] ). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procesverloop </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij  besluit van 9 januari  2020 (het bestreden besluit)  heeft verweerder de aanvraag van eiser </para>
      <para>tot het verlenen van een verblijfsvergunning  asiel voor bepaalde tijd  in de algemene </para>
      <para>procedure afgewezen als ongegrond.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit  beroep ingesteld  en de voorzieningenrechter  verzocht </para>
      <para>om een voorlopige  voorziening  te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting  heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Eiser is verschenen, </para>
      <para>bijgestaan door zijn  gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] .  Verweerder heeft zich </para>
      <para>laten vertegenwoordigen door zijn  gemachtigde.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overwegingen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De asielaanvragen van eiser </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft op 19 november 2015 een eerste asielaanvraag gedaan. Hieraan heeft </para>
    <parablock>
      <para>eiser ten grondslag  gelegd dat hij  [naam] is,  geboren in  Irak. Toen hij  twee jaar oud </para>
      <para>was, is hij  naar Iran vertrokken met zijn  ouders. Hij is niet gedocumenteerd en niet in het </para>
      <para>bezit is van een nationaliteit.  Hij heeft in Iran problemen gekregen met de Iraanse politie </para>
      <para>omdat hij  werd gezien als opposant van Ahmedinejad. Deze aanvraag heeft verweerder </para>
      <para>afgewezen bij  besluit van 11 april 2017,  dat in rechte vast staat met de uitspraak van de </para>
      <para>Afdeling  Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 augustus 2018.<footnote-ref linkend="_08b3e463-12d9-4247-9f19-b0d1a39bbb11" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Op 22 december 2018 heeft eiser een opvolgende  aanvraag ingediend.  Hij heeft </para>
    <parablock>
      <para>daarbij aangegeven te vrezen voor vervolging  in Iran vanwege zijn  bekering tot het </para>
      <para> christendom. Verder heeft hij stukken overgelegd ter onderbouwing  van zijn  Iraanse </para>
      <para>nationaliteit.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het besluit van verweerder </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen als kennelijk  ongegrond. Omdat eiser </para>
    <parablock>
      <para>originele  documenten heeft overgelegd ter onderbouwing  van zijn  Iraanse nationaliteit,  gaat </para>
      <para>verweerder daar nu van uit. Uit deze documenten volgt  verder dat eiser in de vorige </para>
      <para>procedure opzettelijk  misleidende  informatie over zijn  naam, geboortedatum, </para>
      <para>geboorteplaats, nationaliteit  en herkomst heeft gegeven. Die misleiding  is volgens </para>
      <para>verweerder van dusdanige aard dat de overige relevante elementen ook als ongeloofwaardig </para>
      <para>moeten worden aangemerkt. De problemen met de Iraanse politie,  waar eiser bij zijn  eerste </para>
      <para>aanvraag over verklaarde, acht verweerder bovendien onlosmakelijk  verbonden met eisers </para>
      <para>herkomst. Eisers bekering acht verweerder ook niet geloofwaardig. Dat hij  daadwerkelijk </para>
      <para>afstand heeft genomen van de islam en dat bij  eiser sprake is van een oprechte bekering tot </para>
      <para>het christendom die is gebaseerd op een diepgewortelde overtuiging  gelooft verweerder niet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep tegen het besluit </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser is het hier niet mee eens. Hij vindt  dat verweerder de problemen met de </para>
    <parablock>
      <para>politie  in Iran ten onrechte niet heeft beoordeeld. Volgens eiser zijn  deze problemen in de </para>
      <para>eerste procedure nooit op geloofwaardigheid  beoordeeld en staan ze los van zijn  herkomst. </para>
      <para>Dat eiser vanwege deze problemen geen risico  op vervolging  of ernstige schade loopt,  heeft </para>
      <para>verweerder daarmee onvoldoende gemotiveerd. Ook vindt  eiser dat verweerder zijn </para>
      <para>bekering ten onrechte niet geloofwaardig  heeft geacht. Hij heeft een persoonlijk  en </para>
      <para>invoelbaar  verhaal verteld. Uit de besluitvorming  blijkt  dat verweerder zich niet wil laten </para>
      <para>overtuigen. Eiser gaat verder in zijn  beroepschrift in op verschillende  tegenwerpingen van </para>
      <para>verweerder.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het oordeel van de rechtbank </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom </para>
    <parablock>
      <para>hij  niet is ingegaan op de problemen die eiser met de Iraanse politie  betoogt te hebben </para>
      <para>gehad. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Eiser heeft in zijn  eerste asielprocedure de </para>
      <para>volgende personalia opgegeven:   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam] ,  </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,  </para>
      <para>stateloos.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze procedure is gebleken dat eisers personalia als volgt  zijn: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam] ,   </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , </para>
      <para>van Iraanse nationaliteit.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft niet betwist dat hij  (onder andere) hierover valse informatie  heeft verschaft. </para>
      <para>Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat, doordat eiser op deze belangrijke </para>
      <para>punten misleidende  informatie  heeft verschaft, de overige relevante elementen van deze </para>
      <para>aanvraag ook als ongeloofwaardig  kunnen worden gezien. Hij heeft hierbij  kunnen  </para>
      <para>verwijzen  naar Werkinstructie 2014/10,  waarin staat dat in  sommige gevallen een verdere </para>
      <para>toets stopt bij  het verstrekken van onjuiste  gegevens. Dat is volgens de werkinstructie het </para>
      <para>geval als de misleiding  van dusdanige  aard is dat het gehele asielrelaas als ongeloofwaardig </para>
      <para>moet worden aangemerkt, zoals wanneer een vreemdeling  eerder een aanvraag heeft </para>
      <para>ingediend  onder een andere naam.<footnote-ref linkend="_c7098c83-9f69-4084-a1d2-296b2cfb8603" /> Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen </para>
      <para>stellen dat van een dergelijke  situatie sprake is. Eisers betoog dat hij  weliswaar heeft </para>
      <para>gelogen over zijn  identiteit  en nationaliteit,  maar dat dat verweerder niet ontslaat van zijn </para>
      <para>verplichting  om ook de door hem naar voren gebrachte problemen in Iran op </para>
      <para>geloofwaardigheid  te toetsen, slaagt dan ook niet. Of de in deze elementen vervatte </para>
      <para>problemen verbonden zijn  met eisers herkomst kan daarom buiten  bespreking blijven.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat eiser niet </para>
    <parablock>
      <para>geloofwaardig heeft verklaard over het afstand doen van de islam  en zijn  bekering tot het </para>
      <para>christendom. Verweerder heeft daarbij mogen wijzen  op tegenstrijdige  verklaringen  die </para>
      <para>eiser heeft afgelegd over de gelovigheid  van zijn  ouders. In het eerste gehoor in de eerste </para>
      <para>procedure heeft eiser verklaard dat zijn  ouders niet gelovig  zijn,  maar doen alsof ze moslim </para>
      <para>zijn  omdat ze in Iran wonen. In het gehoor opvolgende  aanvraag heeft eiser verklaard dat </para>
      <para>zijn  ouders strenggelovige  moslims  zijn.  Eisers betoog dat hij  in de eerste procedure de </para>
      <para>waarheid over zijn  familie  niet heeft verteld, omdat zijn  reisagent hem dit  had geadviseerd </para>
      <para>heeft verweerder op goede gronden niet gevolgd.  Verweerder heeft verder mogen </para>
      <para>tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het zich afkeren van de islam. Eiser </para>
      <para>verklaart eerst tweemaal dat hij  vanaf zijn  20 e  gestopt is met het praktiseren van de islam, </para>
      <para>tot ontevredenheid van zijn  vader die zich er uiteindelijk  wel bij  neerlegde.<footnote-ref linkend="_ef140e94-1134-471b-b836-0812a85e2441" /> Vervolgens </para>
      <para>verklaart eiser dat hij  vanaf zijn  20 e  tot zijn  26 e  af en toe meedeed aan de ramadan en soms </para>
      <para>ook ging bidden,  met name om zijn  vader tevreden te houden.<footnote-ref linkend="_c3a74b3d-fb73-486d-a892-c1471d8c1efa" /> Ook heeft verweerder mogen </para>
      <para>wijzen  op wisselende en tegenstrijdige  verklaringen  over het moment van omarming  van het </para>
      <para>christendom. Eerst verklaart eiser herhaaldelijk  dat hij  na zijn  eerste kerkbezoek een heel </para>
      <para>fijn  gevoel had en begreep dat hij  onderdeel was van een plan van God.<footnote-ref linkend="_d8a62d6b-8161-460d-816b-9f226e50cc1f" /> Later verklaart </para>
      <para>eiser dat hij  eerder al zes maanden naar een mormoonse kerk was gegaan waar hij niets bij </para>
      <para>voelde,<footnote-ref linkend="_b571f46b-7496-4581-afaa-82321a4646b6" /> een katholieke  kerk waar hij niet welkom was<footnote-ref linkend="_4daaa7b3-dd0f-4354-98b9-3c92a3b93e25" /> en een protestantse kerk in  Utrecht .<footnote-ref linkend="_65fd2403-4f52-4552-8902-6affb79bc731" /></para>
      <para>Dat eiser zijn  eerdere bezoeken niet eerder zou hebben genoemd omdat hij  ze niet relevant </para>
      <para>vond doet niet af aan deze tegenstrijdigheid.  Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen </para>
      <para>dat eiser algemeen en summier verklaart over wat het voor hem betekende toen hij  met het </para>
      <para>Christendom in  aanraking kwam. Eiser verklaart desgevraagd herhaaldelijk  dat dit geloof </para>
      <para>hem van zijn  problemen  verlost, hij  vrede krijgt  en hij  zich herboren voelt en geen enkele </para>
      <para>twijfel  heeft.<footnote-ref linkend="_c39e8313-b548-40a8-ac06-f4f2a478d5df" /> Daar spreekt geen diepgewortelde overtuiging  uit. Het betoog van eiser op de </para>
      <para>zitting  dat het niet iedereen gegeven is om uitgebreid  te verklaren over dit soort innerlijke </para>
      <para>processen doet niet af aan het feit dat verweerder wel van eiser mag verwachten dat hij </para>
      <para>voldoende  inzicht  geeft in de motieven voor en het proces van bekering.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte van hem eist dat hij  aannemelijk </para>
    <parablock>
      <para>maakt dat hij  zich vanuit  een diepgewortelde overtuiging  heeft afgekeerd van de islam  volgt </para>
      <para> de rechtbank niet. Eiser verklaart in het gehoor opvolgende  aanvraag dat hij  in Iran is </para>
      <para>opgegroeid  onder strenggelovige  ouders. Het is verder niet in geschil  dat afvalligheid  in Iran </para>
      <para>strafbaar en maatschappelijk  onacceptabel is. Verweerder mag dan verwachten dat eiser </para>
      <para>inzicht  geeft in een weloverwogen keuze om zich van de islam af te keren. De rechtbank </para>
      <para>verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling  van 1 juli  2019 </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>(ECLI:NL:RVS:2019:2072).   </title>
    <para />
    <para>8. De brieven van eisers geloofsgenoten  [naam] en [naam] doen </para>
    <parablock>
      <para>evenmin af aan deze conclusie. Over zulke verklaringen  heeft de Afdeling  eerder </para>
      <para>geoordeeld dat deze kunnen dienen ter staving van een gestelde bekering van een </para>
      <para>vreemdeling,  maar dat zij  onverlet laten dat de vreemdeling  tegenover verweerder </para>
      <para>overtuigende verklaringen  af moet kunnen leggen over zijn  bekering en het proces dat </para>
      <para>daartoe heeft geleid.<footnote-ref linkend="_5cfd0f37-fa63-443b-9f92-8e4566c662ac" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De  aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.  Het </para>
    <parablock>
      <para>verzoek om een voorlopige  voorziening  zal worden afgewezen. Voor een </para>
      <para>proceskostenveroordeling  bestaat geen aanleiding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak NL20.739: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak NL20.740: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek af. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter,  in aanwezigheid </para>
      <para>van mr. B.V.A. Corstens, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 24 januari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtsmiddel </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover wordt beslist op het beroep, hoger beroep worden </para>
      <para>ingesteld  bij  de Afdeling  bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen  één week na de </para>
      <para>dag van bekendmaking.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. A.K. Mireku						B.V.A. Corstens</para>
      <para>Rechter	</para>
      <para>						Griffier</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_08b3e463-12d9-4247-9f19-b0d1a39bbb11" label="1">
    <para>  201710173/1/V1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7098c83-9f69-4084-a1d2-296b2cfb8603" label="2">
    <para> Paragraaf 3.2.3  van Werkinstructie 2014/10. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef140e94-1134-471b-b836-0812a85e2441" label="3">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 8. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3a74b3d-fb73-486d-a892-c1471d8c1efa" label="4">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 9. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8a62d6b-8161-460d-816b-9f226e50cc1f" label="5">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 13. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b571f46b-7496-4581-afaa-82321a4646b6" label="6">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 15.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4daaa7b3-dd0f-4354-98b9-3c92a3b93e25" label="7">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 17. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_65fd2403-4f52-4552-8902-6affb79bc731" label="8">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 18. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c39e8313-b548-40a8-ac06-f4f2a478d5df" label="9">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag, p. 14-15. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5cfd0f37-fa63-443b-9f92-8e4566c662ac" label="10">
    <para> Zie de uitspraak van 30 december 2016,  ECLI:NL:RVS:2016:3513. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>