<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:8308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-28T15:25:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19/6473 en AWB 19/6474</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8308">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-28T15:22:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:8308 Rechtbank Den Haag , 30-07-2020 / AWB 19/6473 en AWB 19/6474</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:8308:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>MVV Nareis. Goede procesorde. Familierechtelijke relaties niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft niet hoeven toetsen aan artikel 8 EVRM. Beroepen ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:8308:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 19/6473 en AWB 19/6474</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Naam 1], eiseres, V-nummer: [V-nummer 1], en</para>
      <para>
        [Naam 2], eiser, V-nummer: [V-nummer 2]</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P. Scholtes),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S. De Vita).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij twee afzonderlijke besluiten van 30 juli 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de weigering om hen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen kennelijk ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juli 2020 via een beeldverbinding. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens was aanwezig [Naam 3] (referente). Als tolk is verschenen M. Kandeh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 2003 en [geboortedatum 2] 2001 en de Sierra Leoonse nationaliteit te bezitten.</para>
    <para />
    <para>2. Ten behoeve van hun overkomst naar Nederland heeft referente aanvragen ingediend om verlening van mvv’s in het kader van nareis. Zij stelt de moeder te zijn van eiseres en de pleegmoeder te zijn van eiser. </para>
    <para />
    <para>3. Bij besluiten van 9 oktober 2018 en 5 november 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Verweerder stelt zich voornamelijk op het standpunt dat de gestelde familierechtelijke relaties niet aannemelijk zijn gemaakt en dat de toestemmingsverklaringen van de achterblijvende ouders niet zijn overgelegd.</para>
    <para>4. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten. Bij de bestreden besluiten zijn de bezwaren van eisers kennelijk ongegrond verklaard. Op wat eisers daartegen aanvoeren wordt hierna ingegaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Toelaatbaarheid aanvullende beroepsgronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eisers hebben bij aanvullende beroepsgronden van 13 maart 2020 een zestal stukken in kopie overgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze stukken niet bij de beoordeling van het beroep mogen worden betrokken omdat deze verwijtbaar te laat zijn ingediend, nu van de aanvrager van een mvv wordt verwacht om in de aanvraagfase of uiterlijk in de bezwaarfase de benodigde gegevens aan te leveren.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Eisers hebben deze stukken overgelegd als nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Dit is toelaatbaar zolang de goede procesorde zich daartegen niet verzet. In dit geval is de goede procesorde niet in het geding, omdat verweerder zowel in het aanvullende verweerschrift van 24 maart 2020 als tijdens de mondelinge behandeling adequaat heeft kunnen reageren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Familierechtelijke relaties</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Verweerder werpt aan eisers tegen dat zij de door hen gestelde familierechtelijke relaties onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Ten aanzien van eiseres stelt verweerder zich op het standpunt dat de relatie met de gestelde biologische vader niet aannemelijk is gemaakt. Ten aanzien van eiser stelt verweerder zich op het standpunt dat de relatie met beide gestelde biologische ouders niet aannemelijk is gemaakt.</para>
    <para />
    <para>8. Ten aanzien van eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht vereist dat aannemelijk wordt gemaakt wie haar biologische vader is. Er dient namelijk te worden voorkomen dat eiseres wordt onttrokken aan een rechtmatig uitgeoefend ouderlijk gezag. Eiseres stelt dat zij is verwekt als gevolg van een verkrachting van referente door een oom, die vervolgens nooit enige rol in haar leven heeft gespeeld. Deze verklaringen zijn in de asielprocedure van referente geloofwaardig geacht. Hiermee is echter nog niet aannemelijk gemaakt wie haar biologische vader is. Eiseres heeft geen officiële documenten overgelegd waaruit de identiteit van haar gestelde biologische vader en haar familierechtelijke relatie met hem blijkt. Daar komt bij dat niet haar gestelde vader, maar de huidige echtgenoot van referente staat vermeld op haar geboorteakte.</para>
    <para />
    <para>9. Ten aanzien van eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht vereist dat aannemelijk wordt gemaakt wie zijn biologische ouders zijn, eveneens omdat dient te worden voorkomen dat eiser wordt onttrokken aan een rechtmatig uitgeoefend ouderlijk gezag. Referente stelt dat eiser de zoon is van haar zus en dat de vader zich nooit heeft gemeld. Ook stelt referente dat haar zus is overleden in het eerste levensjaar van eiser en dat zij vervolgens de zorg voor hem op zich heeft genomen, aanvankelijk samen met haar moeder totdat zij overleed. Hiermee is echter nog niet aannemelijk gemaakt hoe de relatie tussen eiser en zijn ouders is. Eiser heeft geen officiële documenten overgelegd, waaruit de identiteit van de gestelde biologische ouders en de familierechtelijke relatie met hem blijkt. Ook de omstandigheid dat op zijn geboorteakte de achternaam van referente staat vermeld, is daarvoor onvoldoende. </para>
    <para>10. De rechtbank neemt bij het voorgaande in aanmerking dat verweerder al in de aanvraagfase, namelijk bij herstelverzuimbrief van 23 augustus 2018, diverse specifieke vragen heeft gesteld over de door eisers gestelde familierechtelijke relaties, maar dat eisers er desondanks nog steeds niet in zijn geslaagd om deze relaties voldoende aannemelijk te maken.</para>
    <para />
    <para>11. De in beroep overgelegde kopieën van stukken vormen geen aanleiding voor een ander oordeel. De geboorteaktes van eisers waren al eerder in kopie overgelegd en zijn in de beoordeling betrokken. De verklaringen onder ede zijn onvoldoende objectief omdat deze afkomstig zijn van de gestelde tante van referente. De verklaringen van de politie zijn niet relevant omdat deze niet zien op de gestelde familierechtelijke relaties van eisers. Dit geldt ook voor de foto’s en de afspraakbevestiging van het ziekenhuis aangaande de in Nederland geboren zoon van referente.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Toestemmingsverklaringen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Omdat het beroep al strandt omdat de gestelde familierechtelijke relaties niet aannemelijk zijn gemaakt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of terecht aan eisers is tegengeworpen dat er toestemmingsverklaringen van de achterblijvende ouders ontbreken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Toetsing aan artikel 8 van het EVRM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan het recht op gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).</para>
    <para />
    <para>14. De rechtbank volgt eisers hierin niet. Uit de jurisprudentie blijkt dat verweerder voor toetsing aan dit artikel mag verwijzen naar een afzonderlijke (reguliere) procedure. In dit geval heeft verweerder eisers ook geïnformeerd over deze mogelijkheid. De rechtbank wijst op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2018 in de zaak <emphasis role="italic">K. en B. </emphasis>(ECLI:EU:C:2018:877) en op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:982).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. De beroepen zijn ongegrond.</para>
    <para />
    <para>16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>
                <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen.</emphasis>
              </para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>