<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:8242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-07T15:26:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 6215</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8242">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:8242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-07T15:25:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:8242 Rechtbank Den Haag , 11-08-2020 / AWB - 19 _ 6215</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:8242:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Definitieve jaarafrekening buitenlandbijdrage Zvw. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:8242:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>
      <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 19/6215 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] te [woonplaats] (België), eiseres,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: J.M. Nijman).<?linebreak?></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vanaf 1 januari 2017 oefent het CAK in zaken als die van eiseres de bevoegdheden uit die voorheen door Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend en daarvóór door het College voor Zorgverzekeringen (CvZ). In deze uitspraak wordt onder CAK ook verstaan Zorginstituut Nederland, dan wel het CvZ.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening 2016 van eiseres vastgesteld en de buitenlandbijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) over het zorgjaar 2016 vastgesteld op € 2.099,60.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot, [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiseres is geboren op 21 maart 1947, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds 15 februari 2016 in België. Zij ontvangt een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een aanvullend pensioen van APLV Centraal Beheer Pensioenverzekering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft eiseres als verdragsgerechtigde aangemerkt op grond waarvan zij ingevolge de Verordening (EG) nr. 883/2004 met ingang 15 februari 2016 recht heeft op zorg in haar woonland België ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is zij op grond van de artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage). De verzekeringsinstelling in België heeft dit recht op zorg middels het formulier E121 bevestigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 18 augustus 2017 heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening 2016 vastgesteld en de buitenlandbijdrage over 2016 bepaald op € 2.099,60. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 9 februari 2018 ongegrond verklaard. Het beroep tegen deze beslissing is door deze rechtbank bij uitspraak van 12 oktober 2018 (SGR 18/1920) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3973) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, bevestigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij het primaire besluit heeft verweerder de buitenlandbijdrage over het zorgjaar 2016 definitief vastgesteld op hetzelfde bedrag. Op eiseres haar inkomen is reeds een bedrag van € 1.408,68 ingehouden, zodat eiseres nog een bedrag van € 690,92 dient te voldoen. </para>
      <para />
      <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de definitieve jaarafrekening over 2016 gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij conform de toepasselijke regelgeving de definitieve jaarafrekening binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi-beschikking) heeft opgesteld. Het indienen van een bezwaarschrift heeft niet tot gevolg dat de werking van de beschikking wordt opgeschort. </para>
      <para />
      <para>3. Eiseres voert aan dat verweerder de procedure bij de CRvB over de voorlopige jaarafrekening diende af te wachten voordat hij de definitieve jaarafrekening over 2016 vaststelt en betaling eist. De Sociale Verzekeringsbank heeft verklaard dat eiseres haar echtgenoot geen bijdrage aan verweerder is verschuldigd vanwege zijn pensioen en residentie in België. Verder betoogt eiseres dat niet op verweerder kan worden afgegaan, gezien het feit dat verweerder al eens heeft verklaard dat eiseres en haar echtgenoot waren overleden. Recentelijk is bovendien gebleken dat verweerder twee jaar lang onrechtmatige inhoudingen heeft laten uitvoeren op het AOW-pensioen van haar en haar echtgenoot. </para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank komt in dit beroep tot de volgende beoordeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een zogeheten buitenlandbijdrage verschuldigd. De wijze waarop die bijdrage wordt berekend, is neergelegd in artikel 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling zorgverzekering (de Regeling).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling stelt verweerder het verschil tussen de verschuldigde bijdrage en de ingehouden en afgedragen of anderszins geïnde bijdrage voor 30 september van het jaar volgend op kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft voorlopig vast (de voorlopige jaarafrekening), en stelt verweerder het voormelde verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de NiNbi-beschikking onherroepelijk zijn geworden, definitief vast (de definitieve jaarafrekening).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Met de uitspraak van de CRvB van 11 december 2019 staat onherroepelijk vast dat verweerder de buitenlandbijdrage over 2016 bij de voorlopige jaarafrekening terecht heeft berekend over de periode 15 februari 2016 tot en met 31 december 2016. Nu de definitieve jaarafrekening niet afwijkt van de voorlopige jaarafrekening en er geen nieuwe juridisch relevante gegevens over de periode in geding voorliggen, ziet de rechtbank geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. Dat eiseres ter zitting heeft betwijfeld of de berekening wel juist is en of deze niet is gebaseerd op onjuiste informatie van de Belastingdienst, leidt niet tot een ander oordeel. Zij heeft deze twijfel niet concreet onderbouwd met stukken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet was gehouden om de procedure tegen de voorlopige jaarafrekening bij de CRvB af te wachten, alvorens de definitieve jaarafrekening vast te stellen. Gelet op het bepaalde in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling, is het onherroepelijk zijn van de voorlopige jaarafrekening geen voorwaarde voor het vaststellen van de definitieve jaarafrekening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het overige dat eiseres zowel in haar beroepschrift als ter zitting heeft betoogd, is niet het onderwerp van het bestreden besluit. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.</para>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2020 door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de griffier is verhinderd de uitspraak</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">mede te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>