<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:7219</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-26T12:28:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/593602 KG ZA 20-477</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:7219">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:7219</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-04T14:22:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:7219 Rechtbank Den Haag , 29-05-2020 / C/09/593602 KG ZA 20-477</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:7219:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Afwijzing vordering betreffende de toekenning van strafonderbreking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:7219:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank den haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel - voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak- / rolnummer: C/09/593602 / KG ZA 20/477</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 29 mei 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] </emphasis>verblijvende in de PI [plaats] , locatie [locatie] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. S. Oosting te Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De Staat der Nederlanden </emphasis>te Den Haag,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. S.J.M. Bouwman te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting – die op afstand via Skype heeft plaatsgevonden – waren aanwezig: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- mr. S.J. Hoekstra - van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers, griffier;</para>
    <para />
    <para>- beide advocaten, waarbij mr. Bouwman vergezeld was van de heer [medewerker DJI] , werkzaam voor de Dienst Justitiële Inrichtingen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>1</nr>De gronden van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [eiser] is momenteel gedetineerd. Het door [eiser] op 26 mei 2020 gedane verzoek tot strafonderbreking – met als doel aanwezig te zijn bij het overlijden van zijn vader, die ernstig ziek is – is bij brief van 28 mei 2020 afgewezen (hierna: de negatieve beslissing). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert in deze procedure, na wijziging van eis ter zitting, zakelijk weergegeven, te bepalen dat aan hem strafonderbreking wordt verleend en aan de Staat op te dragen om de Dienst Justitiële Inrichtingen een dusdanige instructie te geven dat [eiser] strafonderbreking krijgt voor de duur van het stervensproces van zijn vader tot aan het moment dat er een beslissing is op het door [eiser] tegen de negatieve beslissing ingediende beroep, met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De Staat voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>In dit kort geding dient op de eerste plaats te worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang van [eiser] bij het gevorderde. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aanwezig. Gebleken is dat de vader van [eiser] ongeneeslijk ziek is, snel achteruitgaat en waarschijnlijk op korte termijn komt te overlijden. Niet valt uit te sluiten dat de beslissing op het door [eiser] tegen de negatieve beslissing ingestelde beroep te laat komt om nog te kunnen bewerkstelligen dat [eiser] bij het overlijden van zijn vader aanwezig kan zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Vervolgens dient te worden beoordeeld of de selectiefunctionaris in redelijkheid heeft kunnen beslissen om het verzoek tot strafonderbreking af te wijzen. Daarbij moet in dit kort geding terughoudend worden getoetst, omdat de selectiefunctionaris een grote mate van beleidsvrijheid heeft bij het wel of niet toekennen van strafonderbreking. De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] tussen de indiening van zijn verzoek tot strafonderbreking en de zitting in dit kort geding een bezoek aan zijn vader heeft gebracht, waarin hij afscheid van hem heeft genomen. Daartoe is aan [eiser] (begeleid) incidenteel verlof verleend op grond van artikel 23 Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi). Op grond van dat artikel kan incidenteel verlof worden verleend voor onder andere het afleggen van een bezoek aan een in levensgevaar verkerende ouder. Een incidenteel verlof op grond van dit artikel is dus de geëigende weg voor een situatie als deze. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Dan is vervolgens de vraag of deze situatie zo bijzonder is dat [eiser] ook nog aanspraak kan maken op strafonderbreking om bij het overlijden van zijn vader aanwezig te zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de selectiefunctionaris in redelijkheid kunnen oordelen dat daarvan in dit geval geen sprake is. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat het bij gedetineerden geregeld voorkomt dat naasten overlijden. Op grond van artikel 23 Rtvi kun je dan aanspraak kunt maken op een bezoekmoment waarbij je afscheid kunt nemen. Artikel 34 Rtvi bepaalt dat strafonderbreking kan worden verleend wegens zodanig bijzondere omstandigheden in de persoonlijke sfeer, dat niet kan worden volstaan met een andere vorm van verlof. Het enkele feit dat de vader van [eiser] onverwacht ziek is geworden, is onvoldoende om aan te nemen dat de beslissing om in dit geval geen strafonderbreking toe te staan, onredelijk is. Ook dat komt vaker voor. De beslissing om dat niet als bijzondere omstandigheid aan te nemen zoals bedoeld in artikel 34 Rtvi acht de voorzieningenrechter niet evident onredelijk. Het gevorderde zal daarom worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>
        [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.636,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 656,-- aan griffierecht.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>WAARVAN PROCES-VERBAAL,</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>………………………………….			…………………………………</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>mr. T.A.E. Scheers 					mr. S.J. Hoekstra - van Vliet</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>