<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:6502</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-21T15:37:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR- 20 _ 4211 en SGR 20/4213</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6502">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:6502</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-21T15:36:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:6502 Rechtbank Den Haag , 14-07-2020 / SGR- 20 _ 4211 en SGR 20/4213</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:6502:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vovo kortsluiten. Bezwaar te laat, n-o. Niet verschoonbaar</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:6502:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">4RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: SGR 20/4211 en SGR 20/4213</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. van Viegen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 30 april 2020 heeft eiser tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek heeft door middel van Skype plaatsgevonden op 8 juli 2020. Zowel de gemachtigde van eiser als de gemachtigde van verweerder hebben aan de Skype-zitting deelgenomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken waarbinnen het bezwaarschrift ingediend moet zijn.</para>
    <para />
    <para>3. In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is - voor zover hier van belang - bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Deze termijn is van openbare orde. Dit betekent dat een bestuursorgaan móet overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift, als het te laat is ingediend. Dit is alleen anders, als de termijnoverschrijding verschoonbaar is. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser bestrijdt niet dat hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend. Eiser is van mening dat verweerder de termijnoverschrijding verschoonbaar zou moeten vinden, gelet op de door hem in bezwaar en beroep aangegeven redenen. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser het feit van 12 januari 2020 ruim voor het verstrijken van de bezwaartermijn heeft betwist. Daarnaast stelt verweerder ten onrechte dat eiser een pro-forma bezwaarschrift had kunnen indienen. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van de termijnoverschrijding.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Niet in geschil is dat eiser het bezwaarschrift te laat heeft ingediend. In beginsel wordt een bezwaarschrift dat te laat is ingediend niet-ontvankelijk verklaard. Dat is slechts anders in uitzonderlijke gevallen, wanneer de indiener van het bezwaarschrift geen verwijt kan worden gemaakt. Eiser stelt dat hij niet eerder bezwaar kon indienen, omdat de verbalisant ten tijde van de oplegging van het besluit een onjuiste feitcode heeft doorgegeven. Hierdoor was eiser pas na de mededeling van 22 april 2020 op de hoogte van het feit dat sprake zou zijn van een andere feitcode waardoor zou blijken dat de snelheidsovertreding buiten de bebouwde kom heeft plaatsgevonden.  <?linebreak?></para>
        <para>De rechtbank acht de door eiser gegeven reden niet voldoende voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Eiser had immers pro-forma bezwaar kunnen indienen om een tijdig ingediend bezwaar te garanderen. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt dat dit niet mogelijk was voor hem. Dat eiser pas in een later stadium een reactie van het Openbaar Ministerie heeft ontvangen doet hier niet aan af. Het argument van eiser dat hij niet nodeloos wil procederen en daarom geen pro-forma bezwaar heeft ingediend, omdat hij op dat moment in de veronderstelling was dat de constatering van het OM juist was, komt voor zijn rekening en risico en kan niet worden aangemerkt als een verschoonbare reden voor termijnoverschrijding. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder op goede gronden het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. De overige – inhoudelijke – beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	Het beroep is ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Tijsma, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>