<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:5431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-19T08:50:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-06-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19/9516 en AWB 19/9518</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5431">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:5431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-19T08:50:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:5431 Rechtbank Den Haag , 12-06-2020 / AWB 19/9516 en AWB 19/9518</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:5431:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beëindiging Rva verstrekkingen. beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:5431:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 19/9516 en AWB 19/9518</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 12 juni 2020 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser/verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1965 en met de Kongolese nationaliteit</emphasis>, eiser/verzoeker (eiser)</para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de Rva‑verstrekkingen beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat geen van de partijen binnen de hiervoor gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank/voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat in beide zaken het onderzoek ter zitting achterwege blijft en met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb het onderzoek in beide zaken heden, vóór het doen van de uitspraak gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroep &amp; verzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft in beide procedures verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht. Dit verzoek is eerder, bij brief van 7 februari 2020 voorlopig toegewezen met als gevolg dat voorlopig geen griffierecht bij eiser is geïnd.<?linebreak?>In zaken zoals deze is echter geen griffierecht verschuldigd. Daarom is de rechtbank/voorzieningenrechter niet bevoegd om te beslissen op het verzoek van eiser om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht. Daarom neemt de rechtbank/voorzieningenrechter geen “definitieve” beslissing op eisers verzoek tot vrijstelling.</para>
    <parablock>
      <para>Een en ander betekent dus dat in deze beide procedures geen griffierecht bij eiser wordt dan wel zal worden geïnd.<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 15 januari 2018, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 2 mei 2018, heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Staatsecretaris) eisers aanvraag van 12 mei 2017 om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen. <?linebreak?></para>
    <para>3. Met inachtneming van onder meer voormelde besluitvorming van de Staatssecretaris heeft verweerder het bestreden besluit genomen.</para>
    <para />
    <para>4. Behoudens een bijzondere omstandigheid in de zin van een acute medische noodsituatie, die aansluit bij de omstandigheden vermeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, van de Rva 2005 en daarom direct gerelateerd is aan de aan verweerder uitdrukkelijk toegekende bevoegdheid, kan verweerder niet worden gehouden tot het verlenen van opvang in situaties die niet zijn voorzien in de Rva 2005.<footnote-ref linkend="_51cdf898-d5a2-4df1-9575-12d1714f6fe4" /></para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft aangevoerd dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten en dat hij gezien zijn patiëntendossier van 10 oktober 2019 medische problemen heeft waarvoor hij medische ondersteuning behoeft. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat eiser het voormelde reeds in de bestuurlijke fase heeft aangevoerd. Hierop is verweerder in de bestreden besluitvorming gemotiveerd ingegaan. Eiser heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van wat hij in de bestuurlijke fase heeft aangevoerd onjuist dan wel onvolledig is. De rechtbank kan zich vinden in de standpunten van verweerder en de overwegingen waarop die standpunten rusten. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser in beroep geen andere bewijsstukken heeft overgelegd dan hij in de bestuurlijke fase heeft gedaan.</para>
    <para />
    <para>7. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij tot op heden opvang heeft gehad en dat dit beleid niet zonder duidelijke aanleiding kan worden gewijzigd.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij op grond van beleid opvang heeft genoten en nog steeds geniet, maar hij heeft niet geconcretiseerd en de rechtbank is evenmin gebleken op grond van welk beleid hij aanspraak op (voortzetting van) opvang zou hebben. De enkele omstandigheid dat verweerder eerder aanleiding heeft gezien om eiser enige tijd respijt te geven om zijn vrijwillige vertrek uit Nederland te bewerkstelligen, is geen omstandigheid die de beëindiging van de Rva-verstrekkingen onrechtmatig maakt.</para>
    <para>De beroepsgrond slaagt dus niet.</para>
    <para />
    <para>9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <bridgehead role="italic">Verzoek</bridgehead>
    <para />
    <para>11. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.</para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 juni 2020.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd om deze</emphasis>	rechter</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, <emphasis role="bold">binnen vier weken na de dag van verzending daarvan</emphasis> hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_51cdf898-d5a2-4df1-9575-12d1714f6fe4" label="1">
    <para>Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 24 februari 2014 (ECLI:NL:2014:722).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>