<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:4942</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-15T11:07:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBDHA:2020:5169</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.27104 en NL19.27106</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4942">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4942</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-04T15:41:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:4942 Rechtbank Den Haag , 08-04-2020 / NL19.27104 en NL19.27106</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:4942:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opvolgende asielaanvragen. Afghanistan. Verdieping in het Christendom. Algemene veiligheidssituatie. Veiligheidssituatie voor Hazara. Bahaddar-exceptie. Beroepen ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:4942:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL19.27104 en NL19.27106</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam 1], eiser, v-nummer: [V-nummer 1], en</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [Naam 2]
        </emphasis>, eiseres, v-nummer: [V-nummer 2]</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Greve-Kortrijk),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. de Vita).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij twee afzonderlijke besluiten van 8 november 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaken met nummers NL19.27105 en NL19.27107, plaatsgevonden op 4 december 2019. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om de gevolgen voor deze zaak duidelijk te maken van de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_ebbc6b68-6ea4-4526-a891-249707ff488c" /> van 18 december 2019<footnote-ref linkend="_1801e603-ee99-4bac-b353-e0f7508a38c2" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een reactie ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [Geboortedatum 1] 1957 en [Geboortedatum 2] 1963 en bezitten de Afghaanse nationaliteit.</para>
    <para>2. In 2015 zijn eisers Nederland ingereisd en hebben zij asiel aangevraagd. Deze aanvragen zijn bij twee afzonderlijke besluiten van 8 mei 2017 afgewezen. Vervolgens hebben eisers opvolgende asielaanvragen ingediend waaraan zij ten grondslag hebben gelegd dat zij zijn bekeerd tot het Christendom. Deze aanvragen zijn afgewezen bij twee afzonderlijke besluiten van 6 juli 2018. Dit alles staat in rechte vast. </para>
    <para />
    <para>3. In deze zaak gaat het om de tweede opvolgende asielaanvragen van eisers. Daaraan hebben zij ten grondslag gelegd dat zij hun geloof in het Christendom hebben verdiept en dat er sprake is van een verslechtering van de veiligheidssituatie in Afghanistan. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder deze aanvragen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw<footnote-ref linkend="_c936f8d5-d4a7-4e2e-b3f9-edc3efd030e9" /> vanwege het ontbreken van relevante nieuwe elementen of bevindingen.</para>
    <para />
    <para>4. Op wat eisers daartegen aanvoeren wordt hierna ingegaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Bekering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eisers voeren aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hun verdieping in het Christelijke geloof niet geloofwaardig is. </para>
    <para />
    <para>6. Verweerder beoordeelt de geloofwaardigheid van een door een vreemdeling gestelde bekering aan de hand van zijn Werkinstructie 2019/18<footnote-ref linkend="_13a78409-55cf-46d1-a176-2b14eee42606" />. Deze gaat ervan uit dat een bekering voortkomt uit een diepgewortelde innerlijke overtuiging. De vreemdeling moet daarom kunnen verklaren over eigen ervaringen en persoonlijke beleving ten aanzien van het proces van en de motieven voor bekering, en daarnaast over basale kennis van het geloof en over geloofsactiviteiten. Indien rapporten van kerkelijke instanties worden overgelegd dient verweerder hierop gemotiveerd in te gaan, waarbij geldt dat de vreemdeling ook in dergelijke gevallen middels zijn eigen verklaring aannemelijk moet maken dat hij oprecht is bekeerd. Deze werkinstructie vervangt Werkinstructie 2018/10, die een verbetering betrof van de eerdere vaste gedragslijn van verweerder<footnote-ref linkend="_08126804-5ee1-425d-a3de-26a986c02405" />. Deze gedragslijn is op grond van vaste jurisprudentie een rechtmatige wijze van beoordelen<footnote-ref linkend="_93c32a6e-9a2e-4dff-b2ad-ee7a47d8eddc" />.</para>
    <para />
    <para>7. Verder mag verweerder, op grond van vaste jurisprudentie, in zaken zoals deze waarin een gestelde bekering in een voorafgaande procedure al ongeloofwaardig is geacht, van de vreemdeling verwachten dat hij ermee bekend is dat hij inzicht moet geven in de motieven voor en het proces van bekering en dat hij tot uiting dient te brengen dat de bekering een weloverwogen en welbewuste keuze is<footnote-ref linkend="_5b87882e-d19c-4539-81b1-a5bdbfa0c1a3" />.</para>
    <para />
    <para>8. Eisers hebben, kort weergegeven, verklaard dat zij sinds de voorafgaande procedure meer in de Bijbel zijn gaan lezen en meer kennis van het Christelijke geloof hebben opgedaan. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij sinds de voorafgaande procedure door zijn geloof heeft geleerd om niet te wanhopen en om verbonden te zijn met God. Eiseres heeft daarnaast verklaard dat zij sinds de voorafgaande procedure meer rust ervaart en beter in staat is om naar de kerk te gaan en om mensen te helpen en te vergeven.</para>
    <para />
    <para>9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat deze verklaringen geen blijk geven van een verder ontwikkelde overtuiging voor het Christelijke geloof. Met deze verklaringen wordt immers slechts inzicht gegeven in de gestelde huidige activiteiten en gemoedstoestand van eisers, maar niet in de motieven die hen tot de gestelde verdieping in het Christelijke geloof zouden hebben gebracht en evenmin in de wijze waarop zij tot een geloofsverdieping zouden zijn gekomen. Verweerder heeft in de beoordeling kunnen betrekken dat eisers bij nadere vraagstelling slechts in algemeenheden hebben kunnen verklaren over welke kennis zij dan precies zouden hebben opgedaan en over de wijze waarop dit tot persoonlijke geloofsgroei zou hebben geleid. Ook heeft verweerder in de beoordeling kunnen betrekken dat eisers ten opzichte van de voorafgaande procedure geen nieuwe verklaringen hebben afgelegd<footnote-ref linkend="_89028879-2303-4e22-9499-ee071b104a15" />.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep op een drietal uitspraken eisers niet kan baten, omdat het gaat om onvoldoende vergelijkbare zaken. In de eerste uitspraak<footnote-ref linkend="_51444944-7890-47a5-b235-747a11c2f0d3" /> ging het om een vreemdeling die, anders dan eisers, gedetailleerde verklaringen had afgelegd over wat zijn geloof had teweeggebracht. In de tweede uitspraak<footnote-ref linkend="_c3deb2a3-ad14-4112-806e-4f22df10f280" /> was, anders dan in deze zaak, een verkeerde toetsingsmaatstaf voor het beoordelen van opvolgende asielaanvragen gehanteerd. In de derde uitspraak<footnote-ref linkend="_89bfbcb6-34f4-448c-ae5b-39517ddc6c7b" /> was, eveneens anders dan in deze zaak, miskend dat geloofsgroei kan voortkomen uit het ontvangen van hulp van medegelovigen.</para>
    <para />
    <para>11. Ter onderbouwing van de tweede opvolgende asielaanvragen hebben eisers rapporten van de zogenoemde ‘Commissie Plaisier’ van de Protestantse Kerk Nederland van 1 juni 2019 overgelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze gemotiveerd in de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft echter kunnen overwegen dat deze rapporten ten opzichte van zijn eigen gehoorrapporten geen blijk geven van nieuwe informatie en dat deze bovendien niet kunnen maken dat de door eisers gestelde geloofsverdieping in weerwil van hun eigen verklaringen alsnog geloofwaardig wordt geacht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Veiligheidssituatie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Eisers voeren ten tweede aan dat verweerder miskent dat de veiligheidssituatie in Afghanistan ten opzichte van de voorafgaande procedure is verslechterd, zowel in algemene zin als specifiek voor hen als Hazara.</para>
    <para />
    <para>13. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 december 2019<footnote-ref linkend="_e6ab93ff-49fb-4411-afcc-6a4a0a033202" /> geoordeeld dat in Afghanistan geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn<footnote-ref linkend="_8302cfd1-fd89-48ef-ac85-c61156a3ff75" />. Reeds gelet daarop heeft verweerder terecht overwogen dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunningen vanwege een verslechtering van de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan.</para>
    <para />
    <para>14. Eveneens op 18 december 2019 heeft de Afdeling geoordeeld<footnote-ref linkend="_16d8b1b2-6d9c-49a7-9e6b-2ed3bf80c8e3" /> dat het enkele behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep niet leidt tot verlening van een asielvergunning, maar dat dit wel als relevant aspect van een individueel asielrelaas dient te worden meegewogen. Verweerder heeft er in zijn reactie van 19 maart 2020 terecht op gewezen dat er in het geval van eisers geen geloofwaardig geachte individuele aspecten naar voren zijn gebracht die specifiek verband houden met het behoren tot de Hazara-bevolkingsgroep. Gelet daarop heeft verweerder terecht overwogen dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunningen vanwege een verslechtering van de veiligheidssituatie in Afghanistan voor Hazara.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van relevante nieuwe elementen of bevindingen. De asielaanvragen van eisers zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot slot is de rechtbank van oordeel, gelet op het niet geloofwaardig geachte relaas van eisers, dat geen sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw, die noodzaken tot een andere beoordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. De beroepen zijn ongegrond.</para>
    <para />
    <para>17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ebbc6b68-6ea4-4526-a891-249707ff488c" label="1">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1801e603-ee99-4bac-b353-e0f7508a38c2" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2019:4202.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c936f8d5-d4a7-4e2e-b3f9-edc3efd030e9" label="3">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_13a78409-55cf-46d1-a176-2b14eee42606" label="4">
    <para> https://ind.nl/Documents/WI_2019-18.pdf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_08126804-5ee1-425d-a3de-26a986c02405" label="5">
    <para> Aldus de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 13 november 2018 (<emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2018/19, 19 637, nr. 2440).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_93c32a6e-9a2e-4dff-b2ad-ee7a47d8eddc" label="6">
    <para> Bij wijze van voorbeeld wijst de rechtbank op de uitspraken van de Afdeling van 24 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0955) en 30 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1068).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b87882e-d19c-4539-81b1-a5bdbfa0c1a3" label="7">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2668).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89028879-2303-4e22-9499-ee071b104a15" label="8">
    <para> Hierbij wijst de rechtbank op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats </para>
    <para>’s-Hertogenbosch, van 21 september 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:4634).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51444944-7890-47a5-b235-747a11c2f0d3" label="9">
    <para> Afdeling, 23 november 2018, zaaknummer 201805043/1 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3deb2a3-ad14-4112-806e-4f22df10f280" label="10">
    <para> Afdeling, 23 november 2018, zaaknummer 201806656/1 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89bfbcb6-34f4-448c-ae5b-39517ddc6c7b" label="11">
    <para> Afdeling, 23 november 2018, zaaknummer 201806716/1 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6ab93ff-49fb-4411-afcc-6a4a0a033202" label="12">
    <para> Afdeling, 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4200.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8302cfd1-fd89-48ef-ac85-c61156a3ff75" label="13">
    <para> Richtlijn 2011/95/EU. Vergelijk artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_16d8b1b2-6d9c-49a7-9e6b-2ed3bf80c8e3" label="14">
    <para> Afdeling, 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4202.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>