<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:4770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-03T10:39:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL20.3025 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4770">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-03T10:39:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:4770 Rechtbank Den Haag , 14-05-2020 / NL20.3025 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:4770:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet gegrond. Gegevens uit het dossier van de gestelde partner van opposant waren voor opposant niet zonder meer toegankelijk zijn, zodat opposant niet in de gelegenheid was hierop een reactie te geven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:4770:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL20.3025 V</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [oppopsant] , opposant </bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tussen opposant en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geopposeerde.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen het besluit van geopposeerde van 4 februari 2020 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 24 februari 2020 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft besloten dat een zitting achterwege kan blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van opposant en geopposeerde ten aanzien van Italië uit mocht gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Opposant had naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van zodanig individuele, bijzondere omstandigheden op grond waarvan geopposeerde de aanvraag aan zich had moeten trekken. Om die reden concludeerde de rechtbank dat geopposeerde de asielaanvraag van opposant terecht niet in behandeling had genomen.</para>
    <para />
    <para>2. In deze procedure beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de eerdere uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Opposant heeft aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank dat de bijzondere kwetsbaarheid van opposant geen verdere bespreking behoeft, is gebaseerd op stukken uit een ander dossier die voor opposant niet toegankelijk zijn. Hiermee is de rechtbank volgens opposant buiten de omvang van het geding getreden en heeft de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Opposant verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:486). </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank ziet in hetgeen door opposant is aangevoerd aanleiding om het verzet gegrond te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank voert opposant terecht aan dat het oordeel, dat de gestelde bijzondere kwetsbaarheid van opposant geen verdere bespreking behoeft, is gebaseerd op stukken uit het dossier van de gestelde partner van opposant die voor opposant niet zonder meer toegankelijk zijn en zonder opposant in de gelegenheid te stellen hierop een reactie te geven. Nu dit niet gebeurd is, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>5. Nu reeds uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 24 februari 2020 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk ongegrond is, behoeft hetgeen overigens is aangevoerd geen bespreking meer en bestaat geen aanleiding opposant te horen over zijn verzet. </para>
    <para />
    <para>6. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 24 februari 2020 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank houdt de beslissing over de proceskostenvergoeding in het verzet aan tot de beslissing op het beroep.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzet gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de uitspaak van 24 februari 2020 vervalt;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voor de uitspraak van 24 februari 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.H.J. van Hooidonk, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>