<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:4657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-27T10:29:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL20.3869</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4657">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-27T10:22:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:4657 Rechtbank Den Haag , 15-04-2020 / NL20.3869</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:4657:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Dublinverordening</para>
        <para>Duitsland</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:4657:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL20.3869</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: 2891251259</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. de Jong),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_50417e1e-5260-4c7b-9d9b-19e9a61b15f0" />; daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_76faa918-aa8b-4b6d-bd5c-2cfe75ffadf6" /> is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard<footnote-ref linkend="_cde3e62e-f437-47c8-a198-f246ed5feedc" />.</para>
    <para />
    <para>2. Wat eiser tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft niet bestreden dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich had moeten trekken.</para>
    <para />
    <para>4. Overwogen wordt dat verweerder ervan uit mag gaan dat Duitsland zich zal houden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat niet meer kan worden vastgehouden aan dat uitgangspunt. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser heeft geen documentatie overgelegd waaruit moet worden afgeleid dat Duitsland zich niet houdt aan de Europese asielrichtlijnen en de mensenrechtenverdragen. Ook uit eisers relaas kan dat niet worden afgeleid. Het feit dat eisers eerdere asielaanvraag in Duitsland is afgewezen, is daarvoor geen indicatie. Uit eisers relaas<footnote-ref linkend="_a6745e33-6867-4933-a7e8-ca93df3aa66d" /> en uit de afwijzing van eerdere claim door Italië<footnote-ref linkend="_a3ec9fdb-b5d0-4923-a01b-359e7be8658a" /> kan worden afgeleid dat eisers asielaanvraag in Duitsland werd afgewezen omdat Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. Dat de Italiaanse autoriteiten deze verantwoordelijkheid inmiddels niet meer aanvaarden omdat de overdrachtstermijn is verstreken<footnote-ref linkend="_be2c0c1c-0760-4e61-94e3-868cd7ce9d0e" />, doet daar niet aan af. Verweerder kan niet worden verweten dat hij geen stukken beschikbaar heeft gesteld over de afwijzing van de asielaanvraag door de Duitse autoriteiten. Dit gaat er immers aan voorbij dat de gevraagde stukken zien op eisers asielaanvraag in Duitsland en dat het op zijn weg ligt om die stukken te bewaren of op te vragen. De stelling dat de kans bestaat op refoulement, mist een deugdelijke onderbouwing. Er is geen reden om te veronderstellen dat de Duitse autoriteiten de asielaanvraag van eiser niet overeenkomstig de geldende Europese asielrichtlijnen zullen behandelen.</para>
    <para />
    <para>5. De beroepsgrond faalt. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Evenhuis, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15 april 2020</para>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_50417e1e-5260-4c7b-9d9b-19e9a61b15f0" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_76faa918-aa8b-4b6d-bd5c-2cfe75ffadf6" label="2">
    <para> Verordening nr. (EU) 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cde3e62e-f437-47c8-a198-f246ed5feedc" label="3">
    <para> Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6745e33-6867-4933-a7e8-ca93df3aa66d" label="4">
    <para> Rapport van Aanmeldgehoor Dublin van 10 oktober 2019, p. 5: ‘In Duitsland hebben zij mij mede gedeeld dat zij mij zouden terugsturen naar Italië’.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a3ec9fdb-b5d0-4923-a01b-359e7be8658a" label="5">
    <para> Brief van Italië aan verweerder van 8 november 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be2c0c1c-0760-4e61-94e3-868cd7ce9d0e" label="6">
    <para> Zie de in de vorige voetnoot genoemde brief van 8 november 2019.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>