<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:4196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-11T14:30:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.25688</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4196">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:4196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-11T14:24:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:4196 Rechtbank Den Haag , 04-05-2020 / NL19.25688</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:4196:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet-ontvankelijk omdat verweerder besluit heeft genomen. Rechtbank kan daarom niet alsnog een rechtelijke dwangsom opleggen. Wel proceskostenvergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:4196:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="fbfca9c8-0fa2-4435-ae81-8c3341b36ab1" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="11bf556c-919d-4156-8a17-361915b11261" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL19.25688</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , met V-nummer [V-nummer] , eiser (gemachtigde: G. Ocak),</bridgehead>
    <parablock>
      <para>en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder. (gemachtigde: B. de Jong).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Op 6 november 2019 heeft eiser beroep ingesteld, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag.</para>
      <para>Op 9 december 2019 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag waarbij verweerder tevens een dwangsom heeft toegekend aan eiser vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser.</para>
      <para>Eiser heeft op 30 december 2019 medegedeeld dat hij het beroep wenst te handhaven en verzocht om een veroordeling in de proceskosten.</para>
      <para>Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van eiser.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>In zijn reactie op het besluit van 9 december 2019 schrijft eiser dat hij het beroep handhaaft, omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van twee weken heeft beslist. Het beroep tegen het niet tijdig geven van een beschikking schort de dwangsom volgens eiser niet op. Eiser verzoekt de rechtbank alsnog een rechtelijke dwangsom op te leggen voor de reeds te laat genomen beslissing en vergoeding van het griffierecht. Ten slotte verzoekt eiser om een vergoeding van de proceskosten te wegen tegen een hogere wegingsfactor dan gebruikelijk.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para />
    <para>3. Eiser heeft geen inhoudelijke gronden ingediend tegen het besluit waarbij zijn aanvraag is ingewilligd. Om deze reden zal de rechtbank zich alleen uitlaten over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het verzoek om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.</para>
    <para>4. De rechtbank beslist dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag, omdat verweerder inmiddels een besluit heeft genomen. Verweerder heeft in dit besluit ook erkend dat hij de maximale dwangsom van € 1.442,- heeft verbeurd. De rechtbank kan daarom niet alsnog een rechtelijke dwangsom opleggen. Verweerder heeft gedaan wat eiser wilde. Daarom zal de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren.</para>
    <para>5. Verweerder heeft gedaan wat eiserwilde, daarom beslist de rechtbank dat verweerder de proceskosten van eiser moet betalen. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). Deze zaak is van licht gewicht, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank :</para>
      <para>- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeus, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>04 mei 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="b9a8ae78-0338-4f40-a900-5b4d171b1566" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>