<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:3853</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-24T15:46:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 9781 en AWB 19_9782</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:3853">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:3853</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-24T15:42:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:3853 Rechtbank Den Haag , 02-04-2020 / AWB - 19 _ 9781 en AWB 19_9782</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:3853:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Buiten zitting, geen procesbelang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:3853:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 19/9781 en AWB 19/9782</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser/verzoeker]
        </emphasis>,<emphasis role="bold"> geboren op [1983] , van Zuid-Koreaanse nationaliteit, eiser/verzoeker,</emphasis></para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.I. Vennik<emphasis role="bold">),</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 juni 2019 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker/eiser (hierna eiser) om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Eiser heeft op 11 juni 2019 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 12 december 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 16 december 2019 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers gemachtigde heeft de rechtbank op 9 maart 2020 een bericht gestuurd met de volgende mededeling: “Mevrouw [A] heeft mij laten weten dat er een scheiding is aangevraagd. Tevens liet zij weten dat cliënt vertrokken is naar Zuid-Korea en geen contact meer heeft met haar of hun dochter.”</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. De rechtbank kan op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder zitting, als partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. </para>
    <para />
    <para>2. Na te hebben kennis genomen van de stukken heeft de rechtbank partijen verzocht aan te geven of zij op grond van artikel 8:57 van de Awb kunnen instemmen met het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Partijen hebben daar toestemming voor gegeven. </para>
    <para />
    <para>3. Uit het bericht van de gemachtigde van eiser van 9 maart 2020 blijkt dat eiser zonder de beslissing op zijn beroep af te wachten Nederland heeft verlaten en terug is gekeerd naar Zuid-Korea.</para>
    <para />
    <para>4. De gemachtigde heeft telefonisch desgevraagd aan de rechtbank bevestigd dat zij geen contact meer met eiser heeft.</para>
    <para />
    <para>5. Uit het bericht van de gemachtigde leidt de rechtbank af dat eiser Nederland heeft verlaten en geen contact meer heeft met zijn dochter en partner. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van de Vw. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:183) heeft eiser in een dergelijk geval geen procesbelang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>8. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier								rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>