<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:3274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-09T11:59:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19/3838</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:3274">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:3274</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-09T11:40:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:3274 Rechtbank Den Haag , 01-04-2020 / AWB 19/3838</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:3274:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser is een ongedocumenteerde vreemdeling, afkomstig uit Bosnië. Hij verblijft in de gemeentelijke opvang. Eiser heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzocht om een maatwerkvoorziening in de zin van beschermd wonen. Hij heeft dit geweigerd. </para>
      <para />
      <para>De rechtbank overweegt dat uit de Afdelingsuitspraak van 30 september 2019 volgt dat de staatssecretaris mag volstaan met een ongedocumenteerde vreemdeling te verwijzen naar de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) indien die om opvang verzoekt. De staatssecretaris schendt daardoor zijn verdragsverplichtingen onder artikelen 3 en 8 EVRM niet. Verder is met die verdragsverplichtingen in overeenstemming dat pas na toelating tot de VBL een arts beoordeelt of extra medische voorzieningen noodzakelijk zijn. </para>
      <para />
      <para>Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:3274:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>
      <?linebreak?>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 19/3838 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [persoonsnummer]
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1962, van Bosnische nationaliteit, eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach). </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 16 januari 2019 heeft verweerder eiser onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) aangeboden en hem in reactie op zijn verzoek om hem een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen te verstrekken, verwezen naar de gemeente Amsterdam. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 mei 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 16 mei 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn  gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verzoek om vrijstelling van het griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft in beroep gesteld dat het hem vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning niet is toegestaan in Nederland te werken of een uitkering te ontvangen en dat hij niet over middelen van bestaan beschikt. De rechtbank acht dit aannemelijk en is daarom van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden toegewezen. Eiser hoeft in deze procedure geen griffierecht te betalen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat aan deze procedure vooraf ging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser is een ongedocumenteerde vreemdeling, afkomstig uit Bosnië. Eiser verblijft sinds 3 april 2018 in de Tijdelijke Opvang voor Ongedocumenteerden (TOO) in de [straat] in Amsterdam. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het verzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Bij brief van 14 januari 2019 heeft eiser verweerder verzocht om hem te bemiddelen naar adequate zorg. Op dit verzoek heeft verweerder bij brief van 16 januari 2019 gereageerd. Verweerder heeft eiser hierbij bericht dat hij zich voor toegang tot een maatwerkvoorziening dient te wenden tot de gemeente en dat hij zich voor onderdak met die brief kan melden op het adres van de VBL in Ter Apel. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten van partijen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Bij het bestreden besluit van 8 mei 2019 heeft verweerder het door eiser ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij het volgende overwogen. Verweerder is niet bevoegd om medische of maatschappelijke zorg in de zin van de WMO<footnote-ref linkend="_3522910c-aa47-4553-9076-11f6b26652b5" /> te verlenen. In zoverre is het verzoek van eiser dan ook geen verzoek om een feitelijke handeling die verweerder moest verrichten. Voor zover eiser heeft betoogd te stellen dat verweerder gehouden is om voorafgaand aan de melding bij de VBL te onderzoeken of onderdak in de VBL als adequaat en passend kan worden gezien, is verweerder van mening dat dit niet zo is. Eiser dient zich in persoon aan te melden bij de VBL. Nadat eiser zich heeft gemeld en eiser is toegelaten tot de VBL, zal de behandelend arts van de medische dienst van de VBL onderzoeken of naar medisch inzicht tijdens het verblijf in de VBL of daarbuiten speciale voorzieningen, zoals bijvoorbeeld beschermd wonen, medisch noodzakelijk zijn. Op deze manier wordt voldaan aan de verdragsverplichtingen. </para>
    <para />
    <para>5. Eiser is het niet eens met de verwijzing naar de VBL. Volgens eiser dient verweerder voordat hij zich meldt bij de VBL te onderzoeken of verblijf in de VBL medisch gezien wel verantwoord is. Verweerder dient voorafgaand een individuele afweging te maken en kan niet volstaan met een standaard antwoord. Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. </para>
    <para />
    <para>6. In het verweerschrift heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_698b7897-138c-411f-b4bd-f52500447ccf" /> van 30 september 2019.<footnote-ref linkend="_b2056d11-3583-490d-8489-f8244a4f5fbb" /> Hieruit volgt volgens verweerder dat de VBL toereikend is en dat pas in de VBL de arts een afweging kan maken wat er nodig is aan medische zorg.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank acht hiertoe het volgende redengevend. </para>
    <para />
    <para>8. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_9621d46d-a126-449c-bdbe-0bbee1947319" /> dat verweerder kan volstaan met het aanbod van verblijf in de VBL en daarbij de voorwaarde mag stellen dat een vreemdeling zich vooraf bereid verklaart om mee te werken aan zijn vertrek uit Nederland. Verweerder mag in bijzondere omstandigheden die voorwaarde niet van tevoren stellen. Bijvoorbeeld als blijkt dat een vreemdeling vanwege zijn psychische gesteldheid, in elk geval voorlopig, niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien. Voorts volgt uit de hieronder te noemen jurisprudentie van de Afdeling dat verweerder er terecht van uitgaat dat alle zorg die medisch noodzakelijk is in de VBL voorhanden is. </para>
    <para />
    <para>9. In de uitspraak van 30 september 2019 heeft de Afdeling overwogen dat uit paragrafen 5 en 59 van de beslissing Hunde<footnote-ref linkend="_c0f97446-3aeb-412a-aab5-b02244736cc6" /> van het EHRM<footnote-ref linkend="_8a58b0c8-8ed3-4e61-9292-695320df5aa1" /> volgt dat artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_cf0920a7-61d7-4e46-b72e-f4b3c020ced1" /> niet verplicht tot het bieden van meer voorzieningen aan afgewezen asielzoekers dan de VBL en de zogeheten gemeentelijke Bed-, Bad- en Broodvoorzieningen.<footnote-ref linkend="_1efc68f5-5dfe-437c-bba2-14cf600df96d" /> Ook zijn de Nederlandse autoriteiten door deze ondersteuning niet tekort geschoten in hun verplichtingen onder artikel 3 van het EVRM door inactief of onverschillig te blijven. Volgens de Afdeling geldt dit ook voor de verplichtingen onder artikel 8 van het EVRM. De vreemdeling kan bij de huisarts van de VBL medisch noodzakelijke zorg krijgen en kan worden doorverwezen naar een andere zorgaanbieder als een specifieke behandeling niet binnen de VBL kan worden aangeboden. De huisarts bij de VBL weegt de uitstelbaarheid van de zorg juist mee om de medische noodzaak te beoordelen. Volgens de Afdeling is de staatssecretaris dan ook niet inactief of onverschillig gebleven door bij het aanbod van verblijf in de VBL te blijven en de vreemdeling te hebben gewezen op de huisarts daar. Voor zover de door een vreemdeling gevraagde zorg niet noodzakelijk maar alleen wenselijk is, kan vanuit de artikelen 3 of 8 van het EVRM voor de staatssecretaris geen verplichting worden aangenomen om die zorg op enigerlei wijze te faciliteren. </para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank overweegt dat uit bovenstaande uitspraak van de Afdeling volgt dat verweerder voldoet aan zijn verdragsverplichtingen onder artikelen 3 en 8 van het EVRM door het aanbieden van opvang in de VBL. En dat het ook met die verdragsverplichtingen in overeenstemming is dat pas na toelating tot de VBL de arts beoordeelt of extra medische zorg noodzakelijk is. Verweerder heeft dus kunnen volstaan met eiser te verwijzen naar de VBL. </para>
    <para />
    <para>11. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. Verweerder is immers alleen verplicht om te horen indien het bezwaar niet kennelijk ongegrond is. Omdat verweerder mocht volstaan met eiser te verwijzen naar de VBL en niet op voorhand zijn medische situatie hoefde te beoordelen, was het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond. Verweerder heeft dan ook terecht van het horen van eiser afgezien. </para>
    <para />
    <para>12.  De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzitter, en mr. A.J. Dondorp en mr. B.C. Langendoen, leden, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier</para>
      <para>de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. </para>
      <para />
      <para>voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3522910c-aa47-4553-9076-11f6b26652b5" label="1">
    <para> Wet Maatschappelijke Ondersteuning. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_698b7897-138c-411f-b4bd-f52500447ccf" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2056d11-3583-490d-8489-f8244a4f5fbb" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2019:3281, via <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9621d46d-a126-449c-bdbe-0bbee1947319" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3415, via <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0f97446-3aeb-412a-aab5-b02244736cc6" label="5">
    <para> EHRM, Hunde tegen Nederland (dec.), nr. 17931/16, 5 juli 2017. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a58b0c8-8ed3-4e61-9292-695320df5aa1" label="6">
    <para> Europees Hof voor de Rechten van de Mens. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf0920a7-61d7-4e46-b72e-f4b3c020ced1" label="7">
    <para> Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1efc68f5-5dfe-437c-bba2-14cf600df96d" label="8">
    <para> Zie in dit respect ook Said Good tegen Nederland (dec.), nr. 50613/12, 23 januari 2018, rechtsoverweging 22, <emphasis role="underline">www.hudoc.coe.int</emphasis>. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>