<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:3151</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:30:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 6670</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-1528</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020051205</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:3151">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:3151</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-12T13:09:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:3151 Rechtbank Den Haag , 26-03-2020 / AWB - 19 _ 6670</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:3151:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In geschil is of verweerder de navorderingsaanslagen op de juiste bedragen heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen rekening heeft gehouden met de zelfstandigenaftrek en de erfpachtcanon, hetgeen eiseres bestrijdt. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar aangifte IB/PVV 2015 de  zelfstandigenaftrek heeft opgevoerd en dat verweerder bij het opleggen van de definitieve aanslag ook rekening heeft gehouden met de zelfstandigenaftrek. Verder heeft verweerder, na het bezwaar van eiseres tegen de definitieve aanslag, de door eiseres betaalde erfpachtcanon alsnog in aftrek toegelaten. Nu verweerder volledig aan de bezwaren van eiseres tegemoetgekomen is, kan het voorliggende beroep eiseres niet in een materieel gunstigere positie brengen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:3151:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 19/6670</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </title>
    <bridgehead role="bold">26 maart 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres<?linebreak?>(gemachtigde: mr. H.L. van Lookeren Campagne),</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bestreden uitspraak op bezwaar </title>
    <para>De uitspraak van verweerder van 12 september 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de voor 2015 opgelegde navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (de navorderingsaanslagen).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting </title>
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. </para>
      <para>Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] . </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiseres drijft in 2015 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten bestaan uit het zoeken en aanleveren van tolken voor notariaten en het vertalen van notariële teksten.</para>
    <para />
    <para>2. Op 18 maart 2016 heeft eiseres haar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2015 ingediend. Vervolgens heeft verweerder op 17 juni 2016 voorlopige aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd. Op 25 juli 2016 heeft eiseres een aanvullende aangifte ingediend. Op 3 februari 2017 heeft verweerder de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 opgelegd conform de door eiseres ingediende aanvullende aangifte. Verweerder heeft de aanslag IB/PVV 2015 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.438. Bij het vaststellen van de aanslagen is rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek. </para>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2015, omdat deze was vastgesteld zonder rekening te houden met de betaalde erfpachtcanon. Verweerder heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaarschrift aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Verweerder is volledig aan het verzoek tegemoetgekomen door de betaalde erfpachtcanon alsnog in aftrek toe te staan. Het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verweerder vervolgens vastgesteld op <?linebreak?>€ 24.437.<?linebreak?></para>
    <para>4. In 2017 heeft bij eiseres een boekenonderzoek plaatsgevonden. Uit het controlerapport volgt dat eiseres bij de resultaatberekening ten onrechte een bedrag van <?linebreak?>€ 7.914 voor diensten van derden heeft opgevoerd. In verband daarmee heeft verweerder de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verweerder daarbij vastgesteld op € 31.243. </para>
    <para />
    <para>5. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslagen op de juiste bedragen heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen rekening heeft gehouden met de zelfstandigenaftrek en de erfpachtcanon, hetgeen eiseres bestrijdt.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar aangifte IB/PVV 2015 de  zelfstandigenaftrek heeft opgevoerd en dat verweerder bij het opleggen van de definitieve aanslag ook rekening heeft gehouden met de zelfstandigenaftrek. Verder heeft verweerder, na het bezwaar van eiseres tegen de definitieve aanslag, de door eiseres betaalde erfpachtcanon alsnog in aftrek toegelaten. Nu verweerder volledig aan de bezwaren van eiseres tegemoetgekomen is, kan het voorliggende beroep eiseres niet in een materieel gunstigere positie brengen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Door of namens eiseres is verder niets aangevoerd dat tot een ander oordeel zou kunnen leiden. </para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. P. Jasperse, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, </para>
      <para>2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>