<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:182</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-29T09:44:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/18/288</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=350&amp;g=2017-09-01">Faillissementswet 350</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:182">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:182</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-29T09:43:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:182 Rechtbank Den Haag , 13-01-2020 / C/09/18/288</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:182:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing voordracht tot tussentijdse beëindiging van WSNP. Volgens de rechter-commissaris had schuldenaar bij het WSNP-verzoek moeten vermelden dat hij een afhankelijkheidsprobleem had, terwijl schuldenaar het bestaan van een dergelijk probleem ontkent.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:182:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="185bccb2-1737-4f8b-a261-f8c8c4013953" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="d04d90ba-7af8-4530-b820-9acca7ff8073" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold smallcaps">DEN HAAG</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Insolventies – enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 13 januari 2020</emphasis>
      </para>
      <para>in de schuldsaneringsregeling van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold"> [schuldenaar],</emphasis>
        <?linebreak?> geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] (Irak),<?linebreak?> wonende [adres, postcode en woonplaats].<?linebreak?> schuldenaar, </para>
      <para>aadvocaat: mr. H. Oldenhof. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Ten aanzien van schuldenaar is bij vonnis van 16 augustus 2018 de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van mr. H.W. Vogels tot rechter-commissaris. N. Pavljašević, (Van der Linden C.S.), kantoorhoudende te Zwijndrecht, is benoemd tot bewindvoerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op 31 oktober 2019 heeft de rechter-commissaris een voordracht gedaan strekkende tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub c en f van de Faillissementswet (Fw). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De rechter-commissaris heeft, kort samengevat, het volgende aan de voordracht ten grondslag gelegd. Schuldenaar heeft op 26 maart 2019 een GGD-keuring ondergaan en uit het rapport volgt dat hij kampt met geestelijke klachten en een afhankelijkheidsprobleem. Uit een rapport van 16 juli 2018 volgt dat schuldenaar vóór toelating tot de regeling al kampte met een afhankelijkheidsprobleem. Schuldenaar heeft echter nagelaten om dit ten tijde van de toelating te vermelden. Indien schuldenaar dit had vermeld was hij mogelijk niet toegelaten tot de regeling, aldus de rechter-commissaris. Schuldenaar heeft verder niet aangetoond dat zijn afhankelijkheidsprobleem onder controle is en voldoet daarnaast niet aan de informatieverplichting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Vooruitlopend op de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 350 lid 2 Fw heeft  de bewindvoerder de rechtbank bij e-mail van 13 december 2019 geïnformeerd over de laatste stand van zaken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling van de voordracht heeft plaatsgevonden op 23 december 2019. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:</para>
        <para>- schuldenaar, bijgestaan door zijn advocaat, mr. H. Oldenhof, <?linebreak?>- B. van Huessen namens de bewindvoerder. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>De rechtbank heeft vonnis bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Van personen ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen en dat zij de uitvoering van de regeling door doen of nalaten ook niet anderszins belemmeren dan wel frustreren. Niet nakoming van één of meer van deze verplichtingen kan leiden tot tussentijdse beëindiging van de regeling. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Ter beoordeling staat of hetgeen schuldenaar wordt tegengeworpen gegrond is en zo ja, of dit dient te leiden tot de door de rechter-commissaris verzochte tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelt als volgt.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De rechter-commissaris heeft een voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gedaan en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat schuldenaar niet aan de informatieplicht heeft voldaan (artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Fw.) en dat hij in zijn verzoek tot toepassing van de WSNP feiten heeft verzwegen die reden zouden zijn geweest om dat verzoek af te wijzen (artikel 350 lid 3 aanhef en onder 	f Fw.). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>In de brief van 13 december 2019 heeft de bewindvoerder vermeld dat de tekortkoming in de nakoming van de informatieplicht is hersteld. De rechtbank oordeelt derhalve dat de voordracht niet (meer) op grond het niet-nakomen van de informatieplicht toewijsbaar is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Met betrekking tot de andere gestelde beëindigingsgrond heeft de rechter-commissaris naar voren gebracht dat uit de rapportage d.d. 26 maart 2019 van de GGD volgt dat schuldenaar kampt met geestelijke klachten en een afhankelijksprobleem door overmatig gebruik van alcohol en tabak en dat hij hier ook al vóór toepassing van de WSNP mee kampte. Voorts wordt aangevoerd dat schuldenaar heeft nagelaten om in het kader van zijn verzoek tot toepassing van de WSNP zijn afhankelijksprobleem te melden en dat, indien hij dit wel had gedaan, hij “mogelijk” niet tot de WSNP was toegelaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Schuldenaar betwist dat hij een afhankelijksprobleem heeft. Hij rookt en drinkt tegenwoordig af en toe, maar is zeker niet verslaafd. Volgens schuldenaar heeft in 2009 een psycholoog hem het stempel van probleemdrinker gegeven en is dit op hem blijven plakken en een eigen leven gaan leiden bij de dossiervorming van de GGD. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>In de voordracht wordt er klaarblijkelijk van uitgegaan dat schuldenaar alcoholverslaafd is en dat die verslaving reden zou zijn geweest om toepassing van de WSNP te weigeren. Schuldenaar is ervan overtuigd dat hij op dat moment, en ook momenteel, niet alcoholverslaafd was/is. Dit maakt reeds logischerwijs verklaarbaar waarom hij in het kader van het verzoek tot toepassing van de WSNP geen melding heeft gemaakt van een alcoholverslaving. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <parablock>
        <para>Voorts kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van het GGD-rapport 	d.d. 26 maart 2019 niet worden geconcludeerd dat schuldenaar aan alcohol verslaafd was of is. Weliswaar wordt in dat rapport melding gemaakt van een afhankelijkheids-probleem, maar volstrekt onduidelijk is op basis van welke actuele objectieve bevindingen of onderzoeken tot een dergelijke conclusie is gekomen. Volgens dat rapport hebben de onderzoeksactiviteiten uit niet meer bestaan dan het afnemen van een anamnese, het uitvoeren van een bewegingsonderzoek en het gebruikmaken van dossiergegevens uit 2009, 2016 en 2017. Van gericht onderzoek op alcoholproblematiek is niet gebleken. Die dossiergegevens omvatten klaarblijkelijk tevens de resultaten van een GGD-onderzoek dat in juli 2018 heeft plaatsgehad en dat heeft geresulteerd in een GGD-rapport d.d. 16 juli 2018. Dat rapport is dus één maand voor de behandeling van het verzoek tot toepassing van de WSNP opgemaakt en daarin wordt in de conclusie melding gemaakt van chronische psychische problematiek, een visueel handicap en chronische rugklachten, maar niet van alcoholafhankelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker ten tijde van het verzoek tot toepassing van de WSNP met alcoholverslaving te kampen had. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Bovendien zou volgens de voordracht schuldenaar “mogelijk” niet tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn toegelaten indien hij zijn afhankelijksprobleem had gemeld. Dit is te ruim om tot toepassing van de beëindigingsgrond van artikel 350 lid 3 aanhef en onder f Fw te kunnen komen. Immers, voor toepassing van die bepaling is nodig dat de afhankelijkheidsproblematiek reden zou zijn geweest om het WSNP-verzoek af te wijzen op grond van het eerste of tweede lid van artikel 288 Fw. Hieromtrent wordt in de voordracht tot tussentijdse beëindiging verder niets vermeld. Indien er van zou zijn uitgegaan dat het bestaan van een  afhankelijkheidsprobleem altijd zonder meer tot afwijzing van een WSNP-verzoek moet leiden, dan gaat de rechtbank daar niet in mee. Dit reeds omdat er niet van kan worden uitgegaan dat iedere vorm of mate van afhankelijksproblematiek kan worden aangewezen als oorzaak voor gemaakte schulden, dan wel moeten leiden tot het niet (kunnen) nakomen van de verplichtingen die uit de WSNP voortvloeien. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <parablock>
        <para>Hetgeen hiervoor onder 2.7–2.9 is overwogen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van de beëindigingsgrond van artikel 350 lid 3 aanhef en onder 	f Fw. Dit tezamen met hetgeen onder 2.4 is overwogen, leidt ertoe dat de voordracht zal worden afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- 	wijst af de voordracht tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar], voornoemd;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2020 in aanwezigheid van C.D. Woodley, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>