<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:15212</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-02T13:21:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/3532 en 20/3533</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amersfoort</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:15212">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:15212</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-25T08:33:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:15212 Rechtbank Den Haag , 30-12-2020 / AWB 20/3532 en 20/3533</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:15212:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ambtshalve beoordeling om toepassing van art. 64 Vw terecht afgewezen, omdat eiser in de bezwaarfase niet alle benodigde stukken heeft overgelegd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:15212:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
      <para>Locatie Amersfoort</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 20/3532 en 20/3533</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 30 december 2020 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser/verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: N. Jansen).  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Bij besluit van 12 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) afgewezen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 31 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser/verzoeker (eiser) ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft de rechtbank en de voorzieningenrechter (de rechtbank) verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht. Eiser heeft voldoende aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor deze vrijstelling. De rechtbank verleent eiser daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht, zowel in de beroepszaak als in de zaak betreffende het verzoek om een voorlopige voorziening. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft eiser geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw omdat eiser niet alle benodigde stukken bij verweerder heeft ingeleverd. Daardoor kon verweerder geen medisch advies aanvragen bij het Bureau Medische Advisering (BMA). </para>
    <para />
    <para>3. Eiser betwist dat er informatie ontbreekt. Eiser heeft namelijk in zijn asielprocedure bij de zienswijze van 8 maart 2019 al een brief van zijn psycholoog Blijderveen van 21 februari 2019 overgelegd. Eiser heeft verweerder hier in de bezwaarfase op gewezen en heeft de brief nogmaals overgelegd.</para>
    <para>Eiser voert subsidiair aan dat hem niet kan worden verweten dat zijn voormalige gemachtigde niet heeft gereageerd op het verzoek van verweerder bij brief van 1 november 2019 aan eiser om de benodigde stukken in te leveren. Verweerder had dan ook in alle redelijkheid moeten overgaan tot ambtshalve beoordeling van de aanvraag. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiser niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden. Wat eiser heeft aangevoerd, ziet namelijk op de fase voorafgaande aan het primaire besluit. De rechtbank toetst echter het bestreden besluit. Verweerder heeft eiser in de bezwaarfase - bij brief van 29 januari 2020 - in kennis gesteld van zijn voornemen om een nieuw advies aan te vragen bij het BMA. Verweerder heeft eiser daarbij verzocht om een ondertekende ‘toestemmingsverklaring medische gegevens’ en om  recente medische gegevens van zijn psycholoog. Bij brief van 2 maart 2020 heeft de gemachtigde van eiser aan verweerder laten weten dat hij de gevraagde stukken niet kon overleggen omdat hij geen contact heeft kunnen krijgen met eiser. Nu eiser de benodigde stukken in de bezwaarfase niet heeft overgelegd, kon verweerder geen advies vragen aan het BMA. Daarom heeft verweerder de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw terecht afgewezen. </para>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen. </para>
    <para />
    <para>6. Verweerder mag onder meer afzien van horen, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden<footnote-ref linkend="_f52a5ec9-5df7-4731-b32c-a15ec393ab4f" />. De rechtbank oordeelt dat aan deze maatstaf is voldaan omdat eiser in de bezwaarfase niet de in rechtsoverweging 4 genoemde stukken heeft ingeleverd. Dat was al voldoende om tot afwijzing van de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw te komen. Het horen van eiser kon hier geen verandering in brengen. Daarom mocht verweerder naar het oordeel van de rechtbank van het horen van eiser afzien. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier												<emphasis role="italic">de rechter is verhinderd</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">													deze uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f52a5ec9-5df7-4731-b32c-a15ec393ab4f" label="1">
    <para> Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>