<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:14871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-17T08:30:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19/7157 en AWB 19/7159</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14871">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-22T10:07:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:14871 Rechtbank Den Haag , 29-10-2020 / AWB 19/7157 en AWB 19/7159</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:14871:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen procesbelang. Onvoldoende concreet gemaakt wat het belang is bij inhoudelijke beoordeling. Beroep niet-ontvankelijk en vovo afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:14871:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 19/7157 en AWB 19/7159</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 29 oktober 2020 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser/verzoeker] , geboren op [1996] , van Pakistaanse nationaliteit</emphasis>, eiser/verzoeker</para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Jonkman).  </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning  van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) ingetrokken per 12 februari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De verblijfsvergunning van eiser is ingetrokken bij het bestreden besluit, per </para>
    <para>12 februari 2019. Op dat moment is eiser namelijk met zijn studie gestopt en op die datum heeft het College van Bestuur van de Hogeschool Utrecht eiser afgemeld. Met ingang van die datum is het referentschap van de Hogeschool Utrecht komen te vervallen. Vervolgens heeft verweerder aan eiser een nieuwe verblijfvergunning verstrekt, onder de beperking studie aan de Hogeschool Den Haag, voor de periode van 23 september 2019 tot 30 november 2023. Deze vergunning is op 5 juni 2020 ingetrokken vanaf 19 februari 2020 omdat eiser op die datum is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen (Brp) in verband met emigratie. Deze laatste intrekking is door eiser niet bestreden.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit nu eiser is uitgeschreven uit de Brp in verband met emigratie. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.</para>
    <para />
    <para>3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is de bestuursrechter alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen als dit van betekenis is voor het geschil over het besluit van een bestuursorgaan.<footnote-ref linkend="_8c6d6430-1b78-4303-96e5-dd6acc93168e" /> Daarbij geldt dat het resultaat dat de indiener van het rechtsmiddel nastreeft, ook daadwerkelijk moet kunnen worden bereikt en voor deze indiener feitelijk van betekenis moet zijn. Het is aan eiser om zijn belang te stellen en aannemelijk te maken.</para>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval geen sprake van procesbelang. Eiser heeft onvoldoende concreet gemaakt wat zijn belang is bij een inhoudelijke beoordeling van deze zaak. De enkele stelling van eiser dat sprake was van overmacht omdat zijn vader ziek werd en hij daardoor naar Pakistan moest als gevolg waarvan zijn verblijfsvergunning is ingetrokken, kan hem niet baten reeds om die reden dat dit niet is onderbouwd. Ook de enkele stelling van eiser dat hij in de toekomst een sterker verblijfsrecht zou hebben zonder verblijfsgat dat is ontstaan door het bestreden besluit, levert hem geen procesbelang op. De vraag of eiser in de toekomst opnieuw verblijfsrecht heeft betreft immers een toekomstige onzekere gebeurtenis. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de ABRvS dat het enkele feit dat een partij een principiële uitspraak wenst, geen procesbelang oplevert.<footnote-ref linkend="_a5dc4f80-c3ca-4f97-82bb-cd2e39170768" /></para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt aldus niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden.</para>
    <para />
    <para>6. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>29 oktober 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd om		<emphasis role="italic">de uitspraak te ondertekenen		</emphasis></emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">
          <emphasis role="italic">De (voorzieningen)rechter is verhinderd </emphasis>om de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier										rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8c6d6430-1b78-4303-96e5-dd6acc93168e" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 mei 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:1796). Te raadplegen op www.rechtspraak.nl.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5dc4f80-c3ca-4f97-82bb-cd2e39170768" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juni 2010, (ECLI:NL:RVS:2010:BM7768).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>