<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:14805</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-10T14:22:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL20.18716</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14805">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14805</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-07T10:14:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:14805 Rechtbank Den Haag , 09-11-2020 / NL20.18716</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:14805:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep afwijzing asielaanvraag. Algerije, veilig land van herkomst. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:14805:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.18716</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] , mede namens zijn minderjarige kinderen [A] , geboren op [2010] en [B]</emphasis>, <emphasis role="bold">geboren op [2006]</emphasis>, eiser</para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is aan eiser onder meer een vertrektermijn onthouden, waardoor eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en is eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.18717, plaatsgevonden op 9 november 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Verweerder gelooft dat eiser is wie hij stelt te zijn en ook dat eiser en zijn kinderen in Algerije grote problemen hebben gehad met een buurman en zijn familieleden, onder andere omdat de buurman één van eisers kinderen heeft verkracht. Maar verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser uit Algerije komt en dat dit in het algemeen als een veilig land van herkomst is aan te merken.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn eerste beroepsgrond dat verweerder Algerije ten onrechte als een veilig land van herkomst aanmerkt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt afdoende heeft gemotiveerd en hierbij heeft mogen volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:45) en zijn brief aan de Tweede Kamer van 30 september 2020, waarin is verwezen naar een bijlage. In deze bijlage heeft verweerder toegelicht op grond van welke informatie is geconcludeerd/herbeoordeeld dat Algerije nog steeds als een veilig land van herkomst is aan te merken. Verweerder heeft hieruit kunnen concluderen dat er in Algerije geen sprake is van een aanmerkelijke achteruitgang op de relevante criteria, zoals op het gebied van vrijheid van meningsuiting en</para>
    <para>de bescherming van het recht op vrijheid en veiligheid van de persoon. Dat voor een aantal specifieke groeperingen een uitzondering wordt gemaakt, betekent niet dat verweerder Algerije in het algemeen niet meer heeft mogen aanmerken als een veilig land van herkomst. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit het tegendeel blijkt.</para>
    <para />
    <para>3. Dit betekent dat eiser alleen een asielvergunning kan krijgen als hij aannemelijk maakt dat Algerije in zijn specifieke geval geen veilig land van herkomst is. De rechtbank oordeelt dat verweerder heeft kunnen beslissen dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser in Algerije aangifte heeft gedaan van de verkrachting, dat er een rechtszaak is geweest en dat de buurman tot een gevangenisstraf is veroordeeld. Ook heeft eiser aangifte gedaan van de bedreigingen van de familie van de buurman. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser niet alle juridische mogelijkheden in Algerije heeft benut voordat hij in Nederland een asielverzoek deed. Zo kon eiser een klacht tegen de politie indienen als hij vond dat de politie niet snel genoeg in actie kwam. Verder kon eiser zich tot de hogere autoriteiten wenden en in Algerije hulp vragen van een rechtsbijstandsverlener, zoals een advocaat. De conclusie is dat verweerder eisers asielaanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.</para>
    <para />
    <para>4. Over het onthouden van een vertrektermijn en het inreisverbod overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bevoegd is om te bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Door eiser zijn geen specifieke omstandigheden aangevoerd waarom verweerder een langere vertrektermijn had moeten hanteren. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw verplicht was om een inreisverbod op te leggen. De duur van het inreisverbod is twee jaar, gerekend vanaf de datum waarop eiser Nederland heeft verlaten.</para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2020 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>16 november 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="7526a515-5f47-448a-b7e6-0d7472a173de" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>