<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:14717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-22T16:54:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19/6917 en AWB 19/6919</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14717">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14717</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-19T13:26:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:14717 Rechtbank Den Haag , 29-09-2020 / AWB 19/6917 en AWB 19/6919</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:14717:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge uitspraak, beroep en vovo m.b.t. ingehouden rva-verstrekkingen ingetrokken, verzoek om proceskostenvergoeding toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:14717:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 19/6917 en AWB 19/6919</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 29 september 2020 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: N. Verbrugh).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 16 september 2020 en 22 september 2020 gereageerd op dit verzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2020. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.050,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 10 september 2019 heeft verweerder ten aanzien van verzoeker gedurende twee weken alle verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) ingehouden. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan en heeft ook om een voorlopige voorziening gevraagd. Bij brief van 21 juli 2020 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken. Verweerder ziet daarbij alleen aanleiding voor een proceskostenvergoeding in de beroepszaak. Verzoeker heeft daarna het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten, ook voor het ingediende verzoekschrift. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank respectievelijk de voorzieningenrechter kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75, 8:75a en 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en aangegeven niet bereid te zijn de proceskosten voor de voorlopige voorziening te vergoeden naast de proceskosten van het beroep, vanwege de samenhang tussen het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. Beide procedures moeten tezamen als één zaak worden beschouwd. Daarbij is van belang dat de gronden van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening precies hetzelfde zijn en dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig op zitting zouden worden behandeld. De uitspraak waar verzoeker naar heeft verwezen<footnote-ref linkend="_c32487ed-a466-4c77-85fe-a6723b613c3d" /> ziet op de proceskosten in beroep en verzoek om voorlopige voorziening in het kader van een asielprocedure. Verweerder is van mening dat deze uitspraak niet van toepassing is vanwege het wezenlijk andere doel en karakter van deze zaak. </para>
    <para>5. De rechtbank geeft verweerder geen gelijk. Artikel 3, tweede lid, van het Bpb is alleen van toepassing op samenhangende beroepen. Een beroep en een verzoek om voorlopige voorziening zijn geen samenhangende zaken in de zin van het Bpb. Het gaat niet om samenhangende zaken, maar om twee proceshandelingen in één zaak. De omstandigheid dat de gronden voor het verzoek dezelfde kunnen zijn als de beroepsgronden en dat de zaken tegelijkertijd op zitting zijn behandeld is daarbij niet relevant. Dit betekent dat verzoeker voor zowel het beroep als het verzoek om voorlopige voorziening recht heeft op vergoeding van de proceskosten.    </para>
    <para>6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op</para>
    <para>€ 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).    </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de uitspraak in het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak staat geen rechtsmiddel open voor zover de uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening betreft.</para>
  </section>
  <footnote id="_c32487ed-a466-4c77-85fe-a6723b613c3d" label="1">
    <para> Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2779. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>