<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:14468</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-19T08:16:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL20.15711</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14468">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:14468</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-18T13:08:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:14468 Rechtbank Den Haag , 12-10-2020 / NL20.15711</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:14468:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Veilig land van herkomst. Moldavië</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:14468:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL20.15711</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. van Hoof).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 13 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Moldavische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .</para>
    <para>Op 8 november 2019 heeft hij een asielaanvraag ingediend, waaraan ten grondslag is gelegd dat hij ten gevolge van zijn ernstig verstandelijke beperkingen niet voor zichzelf kan zorgen en dat dit in combinatie met de achtergestelde positie als Roma in Moldavië maakt dat terugkeer strijdig is met artikel 3 EVRM.<footnote-ref linkend="_312d2b94-b778-424f-b8fe-5c1b202d42ad" /> Eiser komt dan in een volstrekt uitzichtloze positie te verkeren. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van de artikelen 31 van de Vw.<footnote-ref linkend="_13dab307-7e5e-4788-9b65-6234219e6500" /> Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Door eiser zijn geen overige relevante elementen aangevoerd. Eiser is</para>
    <para>vanwege een beperking niet gehoord. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser voert in beroep aan dat er een risico bestaat dat hij bij uitzetting ernstige schade oploopt. Hij behoeft verzorging en begeleiding die hem niet wordt geboden in Moldavië. Voorts had er nader onderzoek verricht moeten worden naar de vraag of de medische behandelmogelijkheden in Moldavië beschikbaar zijn. Het had in de rede gelegen om een BMA-advies uit te laten brengen. Hij heeft een achtergestelde sociaaleconomische positie en ten onrechte is zijn slechte gezondheidssituatie niet in positieve zin meegewogen.</para>
    <para>Verwezen wordt naar de dossiers van zijn stiefvader [naam] (NL20.15708) en moeder [naam] (NL20.15709).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van de Roma-gemeenschap in Moldavië geen sprake is van een situatie waarin een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden bestaat, dat het voor eiser onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De enkele omstandigheid dat eiser verstandelijke beperkingen heeft, is onvoldoende om anders te oordelen. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn Roma-afkomst of vanwege zijn persoonlijke situatie bij terugkeer naar Moldavië een reëel risico loopt op ernstige schade.</para>
    <para />
    <para>5. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser in Moldavië geen hulp zou kunnen krijgen van de daartoe geëigende instanties dan wel dat de daartoe geëigende instanties eiser niet zouden willen of zouden kunnen helpen. Zo heeft zijn stiefvader verklaard dat eiser in Moldavië medisch onderzocht kan worden tegen een betaling. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij niet naar Moldavië kan reizen of dat Nederland het meest aangewezen land is waar een eventuele behandeling zou moeten plaatsvinden. </para>
    <para />
    <para>6. Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van<?linebreak?>mr. S. Zohrabian, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_312d2b94-b778-424f-b8fe-5c1b202d42ad" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_13dab307-7e5e-4788-9b65-6234219e6500" label="2">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>